Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVIII
vindt incn er velen bij Theocrilus, die niets met den Her
derszang gemeen hebben. Zoo is zijn flerkules in de vney
waarvan ik eene Navolging in mijne Mengelingen, by Allart.
gegeven heb; zoo is zijne Bruiloft van Helena; zoo, meei
anderen. Zoo zijn, in hnn soort, mijne losse Gezangen na Os-
siaan. Zoo is hier mijne Lucretia^ mijn Achilles in Scyros,
mijn Slot van Damiate. Omtrent de Asse?icde verwijs ik mijne
i.ezers tot de Aanmerkingen die als een afgezonderd stukjen
den Bondel besluiten : liet geen ik daar van te zeggen heb,
zou te veel plaats wegnemen. Het Slot van Damiate hccü zijne
Inleiding in den Komancetrant. Op dit merk ik aan, dat ik
my veroorloofd heb, dit kasteel niet door Graaf Willem den
Eerste van Holland, maar door zijnen Zoon, den in onzen ouden
tijd door tederheid zoo wel als door dapperheid zoo beroemden
Kloris, te doen innemen. Dees had, volgens de in het licht
gegeven Historien, by zijns Vaders dood slechts een ouderdom
van pas twaalf jaren, en was dus, by die gebeurtenis, niet
meer dan negen jaar oud. Echter zijn er Overleveringen, die
hem ouder maken en daar by tegenwoordig doen zijn. Ik neem
die aan in mijn Dichtstukjen, waar in een jong Held, in het
eerste bloeien der jeugd, beter figuur maakt dan de bejaarde
Graaf Willem, en geef hem het beleid der belegering. Met deze
enkele waarneming kan zich de Chronologie van dit Stukjen
staande houden. Een stout bestaan echter, zal men zeggen!
Eilieve, mijn Lezer, wat gaat my, wat gaat u, in een Mijme
ringetjen van dezen aart de Historische waarheid, wat zeven
jaar vroeger of later aan? De Geschiedenis van die tijden speli
ons reeds zoo veel op de mouw; laat my gedurende deze wei
nigc bladzijden u eens omleiden naar welgevallen. Zoo dra wi
ze ten einde zijn, neemt ge uw' Wagenaar in de hand ei
leest zijne orakels die mijne verdichtsels den bodem inslaan
Op mijn klein Dichttooneeltjen ben ik meester, en doe sleden ei
sloten innemen wien ik wil en wanneer ik wil. HVIÖ jv? anriQt