Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 155 —
van ons gedrag gelegen is; en dal dal Goed aan alle de in-
drukken, welke ons ingeschapen zijn, beandwoordl. Lalen wy
derhalve zien, of dil beandwoorden of voldoen aan die indruk-
ken, proef kan houden, en lalen wy al wat verder aangevoerd
is, daar laten, zonder er ons meê te belemmeren. — Gaarne,
zeide ik; want nu hoop ik u Ie zullen bevallen.—
Herinner u dan, zei hy: Een onzer indrukken van het Hoog-
fle Goed was: voor alle lijden en plaatfen gefchikt te zijn.—
Dit flaat my wel voor, andwoordde ik. — En is er eenige tijd
of eenige plaats, die geen rechtheid van gedrag toelaat? Kau
men niet recht handelen in voor-en in tegenfpoed? Kan mea
geen betamelijk, edel, en lottelijk gedrag houden, zoo wel iu
'oorlog, in onmacht en onderdrukking, in krankle, en in fler-
ven, als in vrede, in macht en gezag, in gezondheid en wel-
varen ? — Zekerlijk. —
En wat valt ervan deze andere indrukken te zeggen: duur-
zaamheid, onafhanklijkheid, en onontroof baarheid? Kan er eenig
Goed zijn, zoo duurzaam, als het vermogen van altijd recht
te handelen? Is er eenig Goed Ie begrijpen, zoo ten eenenmaal
buiten alle macht van anderen? Of, twijfelt ge, onderricht my,
in welke omftandighcden het lot eenen braven cn eerlijken
man lleepen kan, waar in het niet meer in zijn macht zou
ftaan, braaf en eerlijk te bandelen? En zijn er zulke omftan-
dighcden niet, zoo is rechtheid van gedrag dan ook, indien
een Goed, een onontroofbaar Goed. — Ik beken, zeide ik, dat
het my zoo voorkoomt. —
En verder, zei hy. Nog één der indrukken die wy het Op-
perfte Goed zagen Ie bezitten, was: overeenfteramend met onze
natuur te zijn. — Ja. — Maar kan iets ter wareld meer over-
eenftemmend zijn met een redelijk en gezellig fchepfel, dan
een redelijk en der gezelligheid bevorderlijk gedrag. — Neen.—
Maar zekerlijk is rechtheid van gedrag in ons redelijk en der
gezelligheid bevorderend. —Zekerlijk is zy.—
Nog een indruk, voer hij voort, blijft ons over: Niet Hechts
tot het bioote bestaan of zijn te ftrekken, maar tot wel Ie
ZIJN. — Juist. — En gelooft gy, dal ielwes naar alle gronden
van waarheid zoo zeker tol het wel beftaan van een redelijk
en gezellig fchepfel kan ftrekken, als een recht uitoefenen van
't geen met die reden, en met dien trek tot gezelligheid over-
eenkoomt? — Geenzins. — Maar wat is dit uitoefenen daarvan