Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— m —
Ie werken: maar het is liet juist vereenigU uitwerksel van eene
verfcheidenheid van werkingen, welke alle even zeer vereiseht
worden, om dat einde voort te brengen. Hier van daan, dat
dat einde dan ook in die kunften dikwerven door onvermijd-
bare hindeinisfen opgehouden kan worden; ja, Hgeen meer
is, zoodanig belemmerd, dat het onmogelijk wordt om ooit te
bereiken. Edoch in de zedelijke Levenskunst is het bedrijf, de
werking-zelve, het gedrag, middel en einde. Het gedrag-zelf,
zeg ik, tot zelfs in elke kleinfte werking daarvan: omdat elk
dezer werkingen, hoe klein ook, even zoo zeer waarlijk recht
is, als heur grootfte reeks en famenvoeging in haar vereeni-
ging hefchouwd, *en als één geheel aangemerkt. Hier door is
van alle kunften deze de eenige die aanhoudend en ieder
oogenblik volkomen is, nooit haar werk ten halve fteken laat,
maar bet altijd volvoerd heeft; dewijl zy geen* tijd, gelijk an-
dere kunften, noodig heeft om tot die'vólvoering te komen,
waar toe zy ieder oogenblik reeds gekomen is. Hier om wordt
zy, wordt haar einde, door de during niet meer of minder
volkomen: haar volkomenheid, even als de waarheid, geene
graden toelatende, en in geenerlei opzichte voor meerder of
minder vatbaar zijnde. En van hier ook, by noodwendige ge-
volgtrekking. dat (het geen de grootfte wonderfpreuk van al-
len is) ook het Geluk- of Hoogfte Goed-zelf, (als *t einde van
deze Zedekunst) ieder oogenblik volwrocht en volkomen is;
en noch vermeerderd nocli verminderd kan worden door de
lengte van zijne du ring; maar het zelfde voor zijne genieters
is; H zy 'teen oogenblik dure of eene Eeuw.
Ik grimlachte hier op. Hy vroeg my de reden daar van.—
Ik lach alleen, zeide ik, om den loop dien onze onderhande-
ling genomen heeft. Een nieuwe Onderftelling wordt voorge-
dragen ; eenigzins vreemd fchijnende, wordt daar een verklaring
van gevorderd. Gy voldoet aan 't verzoek, en in de uitvoering
van die verklaring, maakt gy het nog tienmaal duifterer en
onverftaanbarer dan eerst. — Dat is maar te dikwijls, zei hy,
het )ot van ons uitleggeren. Maar gy weet, wat men in zulke
gevallen gewonelijk doet. Als de verklaring den text niet ophel-
dert, beproeven wy of de text zich-zelf niet verklaren kan.
Deze manier zal ons mooglijk hier te ftade kunnen komen. De
onderftelling welke wy opgehelderd wilden hebben, behelsde
niets anders dan dit: Dat hel Hoogfte Goed in de rechtheid