Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— im —
aiUwoorddc ik. — Kn is zijn gedrag gebrekkig, zoo is 'l dan
ook, dienvolgende, zijn (lelnk ? — Zekerlijk. —
Gy ziet derhalve, vervolgde hy, fchoon ook de uitwendighe-
den zoo veel als niets waren; fchoon bet een waarheid mocht
zijn, dat zy in haar' eigen' aart noch goed noch kwaad waren;
dat echter eene naauwkeurige kennis van dezelven, in onze
onderftelling, van volftrekte noodzakelijkheid voor bet Geluk
is. — Inderdaad, zeide ik, dit is uitgemaakt. —
Hy ging voort: Kunftenaren van geringen foort mogen ver-
legen ftaan by gebrek van wcrkfloffen. Zy mogen door hare
onbruikbaarheid en onbewerkbaarheid te loor gcfteld worden.
Maar zoo lang 't leven duurt, en de natuur voortgaat tc wer-
ken, heeft de zedelijke Lcvcnsmecftcr altijd alles wat hy voor
zijn kunst begeeren kan. Nooit kan hem een onderwerp ont-
breken, gefchikt om dc kunst van zijn beroep op te oefenen.
En zulks wel, met dien gelukkigen beweeggrond voor het
ftandvastig doorzetten van zijnen arbeid, dat, hoe dwarfer,
lioe wecrftrevigcr, hoe balfturigcr de voorvallen zijn, lioe
roemruchtiger zijne achting daar door rijzen moet. —
Dil alles is waar, zeide ik, en kan niet gelochend worden.
Maar daar doet zich eene omftandighcid op, die uwe gelijke-
nis om verr' fchijnt te ftooten. Het is waar, dat we den lof,
dc verdienfte van den Stuurman aan zijn gedrag-alleen toe-
kennen : maar het is het wel slagen van dat gedrag, de ge-
lukkige uitkomst, daar '( van achtervolgd wordt, die wy in
aanmerking nemen om zijn Geluk te waardeeren. Als er'cen
ftorm opkoomt en zijn Schip vergaat, noemen wy hem niel
gelukkig, hoe zeer hy het ook wel moge geftuurd hebben. En
het is dan alleen dal wy hem gelukkig beeten, als hy dc be-
geerde haven bereikt heeft. — Uwe onderfcheiding is juist,
zei hy; en hel is hier, dat het edel voorrecht van den Zeden-
mcefter, boven die van alle andere kunften, gelegen is. Doch
thands weet ik niel hoe my te verklaren; ik vrees, mijne be-
grippen zullen zoo vreemd luiden. — Gy moogt veilig voort-
gaan, andwoordde ik, daar gy '(immers flechis als eene on-
derftelling voordraagt. —
Welaan dan, hernam hy; dus hegrijpe ik het. Hel einde,
waar men op ziet, is in andere kunften altijd buiten de kunst,
en van 't middel onderfcheiden. Hel beftaat niel in bet enkel
kunstmatig bedrijf; veel min, in een eenvoudig vermogen van