Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 152 —
en convoudige doen van hel geen lol zoodanig einde flrekkende
is, ook fchoon wy dal eind nooil bereiken noch nahy komen.
Korler: Wal zoudt gy zeggen, indien wy eens onzen natuur-
hjken ftaat lol het richlfnoer maakten om ons gedrag naar te
bepalen; en ons geluk in de rechtheid van dat gedrag alleen
fielden? In zulk eene flelling (want wy merken hel als niots
meerder aan dan een bloote flelling) zouden wy een Goed
aantrelfen, dat wellicht aan onze indrukken van 't Hoogfle
(ioed zou heandwoorden. Ten minfte zou dil aan die alle be-
andwoorden, welke wy gisteren opdolven. — Uw Leer in
dit fluk, hernam ik, is zoo nieuw en zoo vreemd, dat hoe
wijdloopiggy u verklaard hebl, ik u nog naauwelijks begrijpen
kan.
Het koomt alles flechts hier op uit, zei by. Plaats uw geluk,
waar ge uw* lof plaatst. — Waar dan? vroeg ik. — Niet, zei
by, in de vermaken welke gy geniet (zoo min als uw ongeluk
in de fmart); niet in de toevallige voordeden van 'llolgeval
(zoo min als uw ongeluk in toevalligcn tegenfpoed); maar in
een* juislen volkomenen handel door alle gedeelten uws le-
vens heen, hoe zich ook de zaken laten aanzien, voor- of na-
deelig.
Maar waar loe dan, zeide ik, zoo veel naauwkeurigheid en
zorg omtrent uitwendigheden? zoo veel arbeid om onderricht
te worden, wal begeerlijk, en wal te fcbuwen zij?—De Stuur-
man, andwoordde hy, heefi noodig de zeen en winden, den
nart der ftormen, ftilten, en tijen, te kennen. Dit zijn de on-
derwerpen, waar zijn kunst over gaat. Zonder eene juiste be-
drevenheid in die, kan by zich nooil zijne kunst machtig be-
toonen. Ook zien wy, wanneer wy hem als Sluurman waar-
deeren, niel op fchoon weer en voordewinden, noch op on-
weer of tegenwind; maar alleen op 'lverftandige en kundige
van zijn gedrag, 'l geval geve 'l weer zoo bet mag. Kven zoo
is het met den Zedekundige. Dees heeft tot hel onderwerp
zijner kunst hel geheel van het menfchelijk leven: gezondheid
en ziekte, vermaak en fmart; met alle andere mogelijke toe-
vallen, die gedurende den loop van dat leven kunnen voorko-
men. Naar mate zijn kennis van dit alles naauwkeuriger en
volkomener is, naar mate is het ook zijn gedrag, waar in wy
zijn Geluk ftellen. En zoo deze zijne kennis gebrekkig is, moet
dan ook zijn gedrag niel gebrekkig zijn ?— Hel fchijnl wel zoo,