Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 151 —
TWEEDE DEEL.
> Bi iilus ftieri' ontijdig, cii Cezar ftierl cveii zoo."— Drz«
woorden fprak ik 's anderen daags in my-zelven, jui&l wanneer
mija vriend in mijn kamer trad en my blijharlig goeden mor-
gen kwam zeggen, ik kon hem zijn morgengroet niet met de-
zelfde vrolijkheid beandwoorden , daar ik wat meer dan ge-
woonlijk zat te peinzen op het geen 's daags te voren was
vooi-gevallen. Dit ziende, floeg hy my een wandeling voor. Het
gelaat der Natuur, zei hy , zal misfchien deze nevels verdrij-
ven. Van mijn' kant, verzeker ik u, zal ik niet laten ontbreken,
't geeii ik hier aan toe kan brengen. Ik nam zijnen voorilag
aan ; onze wandeling begon ; en wij kwamen , ongevoeliger
wijze, op ons vorig gefprek terug.
»Brutus, zei hy, stierf ontijdig, en Cezar even zoo." Dit, zoo
ik het wel hel>be, was zoo even uwe uitdrukking by u-zelven.
Onderftel eens, dat het lot van deze twee zeer onderfcheiden
mannen volftrekt gelijk geweest ware; wat zoudt gc dan vei-
kozen hebben, Cezar, of Brutus te zijn? — Brutus, andwoordde
ik, builen allen twijfel? — Waarom? vraagde bij. Wat ver-
fchilde 't u, als hun lol (gelijk wy nu onderftellen) volkomen
even eens ware geweest? — Daar fchijnt, hernam ik, afgezon-
derd van hun lotgevallen, iets (ik kan niet zeggen, wat) voor-
treffelijkers in het leven en charukter van Brutus te zijn; ten
minfte, is er iets in, dat my hem voor doet trekken. — Indien
dit waar is, hervatle hy« zoo zouden wij dit, niet van het lol,
dat hun daden en oogmerken getrotTen hebben, maar van hare
innerlijke rechtheid, moeten aüeiden. De een had den troost
(naar uw tegenwoordig inzien) dal zijne zaak eene goede zaal;
was: en de andere kon (volgens uw begrip) zulk een gevoel
niet hebben. — Ik geloof, zeide ik, dat gy het opgelost hebt.—
Stel dan eens, zet hy, (het is flechts bloolelijk eene onder-
ftelling!) dat wy in zulk eene rechtheid van gedrag het Hoog-
fte Goed plaalflen? In het gedrag (zeg ik) blootelijk, en niet
in de uilkomst! Stel, dat we ons geluk deden beftaan, niet in
de dadelijke bereiking van dat welvaren, die volmaaktheid van
ftaat in de famenleving, dien gunfligen famenloop van uiter-
lijke dingen, welke onze natuur toelaat, en waar wij-allen
recht hebben om naar te Haan: maar alleenlijk in het enkle