Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 150 —
wy begecicu, van te bedienen? Is bet verders niet, om ons
genot te verzekeren, te bevestigen; om, zoo anderen ons daar
van mochten willen berooven,in Haat te zijn, om ze te hand-
haven? — Zekerlijk, andwoordde ik.—
01', om eens alles om te keeren: Waar van zijn er men-
fchen, die zich in de afgelegenfle en verborgenfte fchuilulaat-
fen gaan opfluiten; die hof, gezag, en vermogen, uit al hun
macht vlieden , en zich een behoeftig en onaanzienlijk leven
getroosten? Waar van dil anders, dan uit dezelfde oorzaak?
Üit begrip, dat geringe bezitting, met matigheid en fpaarzaani-
heid aangewend, duurzaam is, terwijl ruimer vermogen den
ISijd opzet, en veel meer aan verftooringen bloolftaat: dat de
veiligheid in een' flaat van eer, aanzien, en macht, waukeler
is, dan in de afzondering; en dat zy dienvolgende de party
kiezen, die over het geheel genomen, verkiesbaarsl is? — lict
is niet onwaarfcbijnlijk, zeide ik, dat zy uit dusdanige beweeg-
gronden handelen.
Ziet gy dan niel, voer hy voort, dal er nog twee of drie
vereischlen van H Hoogste Goed door een ieder gezocht wor-
den, als lot het wezen van dcbzelfs beflaan behoorende? —
En welke? vroeg ik. — Dat hel niet voorbijgaande, niet van
den wil van anderen afhangkiijk, noch in bun macht om er
ons van te ontzetten, moet zijn; maar dat het duurzaam, in
onze eigen macht ftaande, en onontroofbaar moet wezen. —
Ik erken, zeide ik, het fchijnt my zoo toe. — Maar wy hebben reeds
gezien, dat het aangemerkt moet worden als iels, dat met
onze natuur overeenftemt; niet tot het enkle bestaan , maar
lot WEL te ZUN flrekt; en 't geen ons in alle lijden en plaalfen
kan byblijven. — Dat hebben wy. —
Daar kunnen nog meer kenteekenende hoedanigheden zijn,
zeide hy, maar deze geloof ik genoegzaam te wezen. Zie daar
derhalve een denkbeeld van 'l Hoogste Goed, het welk ge bc-
fchouwen moogt als uit de oorfprongklijke, natuurlijke, en al-
gemeenc indrukken van geheel bet menschdom opgemaakt.
Het Hoogfle Goed, gelijk zy ons aanwezen, moet iets zijn, dat
met onze natuur overeenflemmende; tot wel Ie zijn ftrekkende;
voor alle plaatfen en tijden gefchikt; geduurzaam; in geens an-
ders macht ftaande; en onontroofbaar is. — Uw belluil, and-
woordde ik, fchijnt rechtmatig.