Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
i M) —.
voorworp, waarin elk overeenfleint: Het Opperst (ioed Is iets,
dal niet llrekt lot hel bloote bestaan of zijn, maar lot hel wri.
ZIJN. — Ik andwoordde, dal is gebleken.—
Nogmaals, ging hy voort: Welk een' arbeid, welke kosten
doet men, om zich zulke zeldzaamheden aan te febalTen, als
ons eigen Land ons niet op kan leveren! Hoe wordt de wa-
reld lot aan baar uiterfte boorden geplonderd, en weelde en
kunften uit elk barer boeken aangevoerd! Nog meer! Hoe wroe-
ten wy de Natnur-zelve 'l onderst boven; hoe keeren wy baar
fchikking om; hoe zoeken wy bel Lenle-plantfoen in de ftreng-
heid des Winters, en hel Lis van den Winler, in de Zomer-
hitte! — Dal jloen wy, hernam ik. — En welk eene te loorfleU
ling, welk eene fpijt, wanneer onze pogingen daar in misluk-
ken! — Dat 's waar. — Zoo dit zeker is, zei hy, laat hel zieb
aanzien, daf hel geen wy als ons Hoogfte of Opperfte Goed
begeeren, iets wezen moet, dat wy, zoo veel mooglijk, in alle
oorden en tijden willen doen plaats hebben. — Dat blijkt wel,
andwoordde ik. — Daar bebl ge derhalve al wederom een van
zijn vereisehle, hernam hy: wederom eene voorafgaande alge-
meene kundigheid in den menseh!
Maar nog verder! Welk eene drift naar den rijkdom! Welk
eene gretigheid om te hebben! Welke gevaren ondergaan,
om te verkrijgen! Welke bekommernisfen om te behouden!
En waarom dal alles? Uit wat oorzaak, en lol welk einde?
Is hel oogmerk niel klaarblijkelijk niT: om door den rijkdom
zich aanhoudend te kunnen verfchaffen 'l geen wy goed wanen;
en om dus gcduurzaam te maken, 'l geen anders nechts voor-
bijgaande zou zijn?—Het fchijnl zoo, hernam ik. — Wordt hy
niet begeerd als een middel, om ons van ons-zelven Ie voorzien,
daar wy buiten dal in al wat wy genieten op de goedwilligheid
van anderen zouden moeten wachten, en van hunne grilligheid
afhangen ? — Het is waar, zeide ik, dil fchijnl er de reden van. —
Wederom! Tracht men niet even zoo fterk naar macht en
gezag, in al hun verfchillende graden en trappen, als naar
rijkdom? Zijn Heerfchappijen, Yorftendommen , Eeramplen ,
Bevelhcbberfehappen, en Hegeeringsposten, geene voorwerpen
die men met een' eeuwigdurende naijver bejaagt en zich on-
derling !)etwist en benijdt? — Dat zijn zy, hernam ik. — En
waarom dat? vroeg hy; omwal eind te bereiken? Is het niet,
om er ons (even als van den rijkdom) in 't bezit van het geen