Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— —
ik. — Kvi'ii zoo guat liet, zei liy, met de menrdieii, in 't na
jagen van *t Goed. De wegen die zy inflaan, zijn zekerlijk ve-
lerhande, maar het geen zy zoeken, is altijd een en het zelfde.
By voorbeeld: lloordet ge ooit van iemand, die zijn geluk
zocht in : als een Visch , een Vogel, of een Kever, te leven ? —
Nooit. — En waarom niet ?—Wel, zulk een leven, andwoorddc
ik, kan met onze menfchelijke natuur niet beftaan. —Gy ziet
derhalve, fprak hy, dat zy allen hierin overeenftemmen, dat
het geen zy zoeken, beftaanbaar en overeenftemmend met 's
menfchen natuur nmet zijn. — Dat moet ongetwijfeld zoo zijn,
zeide ik. — Is dit zoo, ging hy voort, zoo hebben wy eene voor-
afgaande kundigheid in ons ontdekt, en eene hoedanigheid of
vereisclite, die algemeen eigen moet zijn aan het gene een Goed
is. Dat, namelijk, alle goed (waar het ook in beftaan konne)
gefield moet worden iets te zijn dat met onze natuur overeen-
flemt. — Dit fchijnt inderdaad, hervatte ik, in allen maniere,
toegeftaan en erkend te worden.
Wederom, zeide hy: Zou er wel ergens iemand te vinden
zijn, van zoo 'n onverfchillig of necrtlachtig geftel, dat hy met
de laagfte en bekrompenfte levensbehoeften te vreden zou kun-
nen zijn? Wie haakt niet, zoo hy kan, naar iets meerders,
iets beters? — Elk een, hernam ik. — Strekt niet de begeerte
der menigte, zei hy, naar oneindig veel voorwerpen, die een
ieder erkennen zal, in geenen opzichte noodzaaklijk te zijn?
Uitgezochte fpijzcn, uitnemende wijnen, Ichittrende kleeding,
prachtige lusthoven? Vorstlijke zalen, met fchilderkunst en
beeldhouwerije verlierd ' Zang-en dichtkunst, en den geheelen
Heep der fraaije kunften ? — Dit is onweêrfprekelijk, zeide ik. —
En is dit zoo, voer hy voort, zoo zou het wel fchijnen, als ol
zy allen het lloogfte of Opperfle Goed niel deden beftaan in
het geen tot het enkel bestaan, Ifet eenvoudig zijn behoort ot
daar toe ftrekt: want daar toe is hel bloole noodzaaklijke toe-
reikende. — Dat is het, hernam ik. — Maar in iets, dat tot
ieiwes ftrekt, het bloole en enkele beflaan te boven gaande.—
Dat moet wezen. — En wat kan dit anders zijn, vervolgde hy,
dan whl tc zijn; onder welke velerhande gedaanlens de ver-
fcheiden meeningen dat wel ziin zich dan ook af fchilderen ?
Of Wiel gy ietwes anders op Ie geven? — Neen, andwoordde
ik, niets. — Zie daar dan, hernam hy, eene tweede vooraf-
gaantle kundigheid, in ons, en een tweede vereischte in het