Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 147 —
deel, licht Ie doen, fchoon ingewikkeld in zijn hijzonderlicden.
Dewijl gy er zoo op aandringt, hernam hy; dns is het, dat
ik hel hegrijpe. Het lloogflc Goed is, het geen, waar van hél
bezit ons gelukkig maakt. — En hoe, vroeg ik, komen wij aan
dal bezit? Is het een zinnelijk goed; of beflaat bet alleen in 'l
verftand? — Daar begint gy in de bijzonderheden te treden,
zeidc hy: Dit is buiten uw'vraag. — En zoudt gy dan, zet ik,
voor de arme Leerzucht niet een' kleinen flap over hebben ?
Wilt gy my een dorst verwekt iiebben, die gj wreed genoeg
zijn zoudt, om niet te lesfchen ? — Ik ben het nict, antwoordde
hy, die ze u verwekt hebbe, maar gy-zelf. Behalven dat ik niel
verzekerd ben, indien ik beproefde verder te gaan , of gy zulke
gctuigenisfen zoudt willen toelaten, als waar op ik my moog-
lijk zal moeten beroepen. — Dit zal, hervatte ik , van 't gewicht
cn den aart der getuigen afhangen. — Gcfteld eenj!., hernam
hy, ik beriep my op het menschdom, het geheelc mcnfchclijke
gcllacht. Zoudt ge H niet iels vreemds vinden, de zulken Ie
hulp te roepen, om een Goed na Ie fpooren, die dal goed
langs duizend verfchillende, en veelal tegen elkander inloopendc
wegen, vervolgen?— Ik erken, dat het my zoo moet toefchij-
nen, andwoordde ik. — Maar zoo er nochtans, vervolgde hy,
eens een punt ware, waarin al de genen, die zoo verichillen,
altijd overeen komen: zoo zou deze overeenftemming geen ge-
ring bewijs voor de waarheid en juistheid van dat punt ople-
veren.— Doch waar, hervatte ik weder, is deze nvereenftem-
ming te vinden ? —
Hy andwoordde my, vragender wijze: Wat zoudt gy dan zeg-
gen , indien men eens blijken deed, dal er zekere ftandhoudende
oorfprongklijke kcnfchelfen en indrukken van 'l Goed beflaan ,
welke de Natuur in ons gelegd heeft, en die overeenflemmende
en eenvormig, en aan alle menfchen gemeen zijn, en welke
zy alle in hunne verfcheidenerhande bejagingen loonen tc er-
kennen? En dat bun verfchil alleen in de tocpasfing daarvan
op bijzonderheden beftaat ? — Dil eischt opheldering, zeidc ik. —
Als of, ging hy voort, eene menigte reizigers, in een uilgeftrekt
woud, allen naar een en de zelfde (lad wilden, maar ieder
langs een' bijzondercn weg, dien hy voor zich banen wilde.
De wegen zouden zekerlijk velerlei zijn, cn velen daar van
mooglijk verkeerd: maar alle deze reizenden zouden eene en d«^
zelfde uilkomst op 'l oog hebben. — Dil is blijkbaar, ondwoorrlde