Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— iM\ —
andwoorden. — Waar dil mooglijk geweesl ? vraagdr ik liem. -
Zeker, mooglijk, was zijn andwoord; alfehoon liel het lloogfl
Goed zelf geweest ware. En hoe kunt gy dit vreemd vinden
Is het waarfehijnlijk, dal zoodanig een menseh als een Ooslei
seh Monarch; zulk een weekgehakerd, zachlgekoeslerd, en wei
keloos menseh, voor een voorwerp, van zoo leder een' aarl
aandacht of vatbaarheid hebben kon? Een voorwerp, in flas
den gcfpilften en fcherpften verftande» werk te geven ? —
Waar in acht gy dan , vroeg ik, hel Hoogfle Goed te beflaan
Naar uw voorftelling, zou het wel iels zeer ongemeens fchi
nen ! — Doe my deze vraag niet, hernam by; gy weet ni»
waar zy ons heen zou voeren. Het is zekerlijk gemakkelijk g
noeg om erzieh een algemeen denkbeeld van te vormen, d?
klaar en bevatbaar is; maar als men aan 't onderfcheiden d(
byzonderheden gaat, die daar toe behooren, wordt het ing
wikkeld en van langen adem : de driften cn vooroordeelc
liggen ons dan altijd in den weg en overdwarfen ons; en fchi«
op eiken flap dien wy doen, ontmoeten wy een Paradox, wa5
wy voor flaan blijven. Behalven, dal, al llaagde ons onderzo<
nog zoo gelukkig, het onderwerp op zich-zelf altoos moeili
genoeg is.— Dit fchijnl inderdaad een Paradox, hervatte ik. -
Het is niel uit eenig vooroordeel tegen dil onderwerp, dat
dus fpreke, hernam hy: want ik acht het bet edelst des w
relds voor den menseh. 't Is ook niet, dat bet een onderwei
zoude zijn , waar mijn geesl niet heen wil: want niets het
mijne overweging ten allen tijde zoo bezig gehouden. Maar
kan er naauwlijks ooit aan denken, of er fcbiet my een jar
merhartig voorval te binnen, maar H welk er eene regtftree
fche toepasfing op heeft. »Zekere Slerrenkijker was eens bez
»de maan door zijn fpiegelbuis te bezien, en haar zeen, bc
»gen, en ftreeken af !e leekenen. Een kinkel, dit ziende, ?
»legen een' ander: Laat hem kijken zoo veel hy wil, wy zi
»loch zoo dicht by de maan als hy, met zijn ganfche broedc
fchap." Zoo gaat bet, helaas! met deze onze zedelijke navo
fchingen! Te dikwijls kruipt de Praktijk , waar de Theorie eei
hooge vlucht neemt. De wijsgeer toont zich even zwak, als di<
hy 't verst beneden zich fielt. Een vernederend denkbeeld vo
die iiet wel ter harte neemt! —Al te vernederend, herval
ik, om er lang op ftil te flaan. Deel my liever uw algemci
befef van bel Hoogfte Goed mede. Dil is, naar uw eigen or