Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 139 —
Gy hadt____Helaas! mijn dierbaar Wichtjen,
Gy, offer van een kwaal, zoo wreed!
Wat hadt gy —? Ach, dit lijkgeftichtjen
Was alles wat gy hopen deedt.
Ach! alles was voor Hgraf geboren,
Die fchrandre blik, die lieve lach!
Die warme zucht om na te fpooren!
Die geest, die alles fteeds doorzag!
Dat oordeel, in 't gedurig lijden
Gefcherpt en juist! die weldoende aart!
Dat hart, gevormd voor beter tijden.
Doch neen, der Englen hemel waard!
Ach! 'k hoor haar nog naar *t daglicht vragen.
Waarop de onnoozle lijdzaam wacht,
»Dat fpoedig voor haar op zal dagen,
»Waar 't nooit geftoord wordt door den nacht.
Ach! 'k zie die handtjens faamgevouwen,
'k Hoor nog dat flamelend gebed;
En, God, kan ik mijn' dank weérhouwen.
Wanneer Gy ze uit haar jammer redt!
Neen, 'k dank, ó Vader! ('k ben 't U fchuldig)
Maar nokkend, met gebroken hart.
Ja, 't is Uw goedheid, die ik huldig,
Maar huldig, fmoorende in mijn fmart.
Ja , dank ! ó Goedheid, wier erbarmen,
Uit dit onheelbaar pijnlijk wee
Haar opnaamt van heurs Vaders armen.
En mooglijk, op zijne eigen beê.
Want immers was het om geen leven,
Wanneer zijn hart voor 't wichljen bad:
Wat zuchtjen was er plaats te geven.
Dat aardsch genot ten voorwerp had!
Die teedre leedljens zoo verwrongen,