Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
1805.
— 136 —
Naar de eens liaar loegezegde weide,
Maar veilig voor des Roovers muil!
O laat, hoe Hel en Wareld loeren,
Er geene aan Uw hand ontvoeren.
Noch redloos ftorlen in den kuil!
Als de aangeboren drang ten kwade
Ons tot het pad der zonde fpoort,
O Heiland, fchenk ons die genade.
Die al wat zondig is verfmoort!
Leer ons, in Uw vermogen ftrijden.
Aan U ons gantfche leven wijden ;
En duldt de minfte neiging niet,
Die, wederflrevig aan Uw lijden,
In 'l U geheiligd hart gebied'!
O leer ons op Uw voorbeeld flaren,
Gy, die nooit zonde hebt begaan!
En wil ons van de fchuld bewaren,
Die Ge eenmaal hebt te niet gedaan!
O druk, ja druk in onze harten
Het doel, het voorwerp Uwer fmarten,
En laat, gereinigd door Uw bloed,
Die ziel de fneeuw in reinheid tarten,
Die zich vernieuwd voelt door Uw' gloed!
Op het afsterven van twee mijner Kinderen,
kort na elkander overleden.
--Hoe oro inunus concede pai^cnli.
statius.
Ook deze pijnlijkfte aller wonden.
Mijne Ega, w as ons nog beftemd.