Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 132 —
-Noestig iu de distien bezig, roept hel alles, pUk, 6 pluk*
'tVormtzich ruikers, kransjens, tuiltjens;Hvlechlfestoncen,blyMemo<
En liet juicht en wenkt elkander met een' lach van weelde toe.
U Toont zijn distels zich voor rozen. HWaant zich glorierijk verfierd
Disch en koets gefpreid met distels! 't hoofd met distels gelaurierd
Waarom vind ik in de distel ook die roos en lauwer niet?
Waarom trap ik dat met voelen, daar een ander heil in ziel?
Waarom kwetst mijn oor het krasfen van een ongeftemde veêl ?
Waarom is my 't uilenknappen H orgiën niet van Hlomeel?
Waarom kaauw ik met den buffel niet op d'uitgedorschlen halm?.
Waarom neem ik dorre heiflruik voor geen frisfche maagdepalm ?
Waarom wil ik meê niet prijken op dat groote marklgeflicht
In 't geleende lappenpakjen, by dat heldre pekkranslicht ?
Waarom meê geen pillen venten, waar men zich den dood aan (liki
Hier met de eerloosheid van tytlen, daar met zelQof opgefchiktl
Waarom fchuw ik, in dit dolhuis dol te zijn in daad of fchijn,
En my-zelven te verachten om van elk geacht te zijn ?
Waarom moet ik immer roeien tegen ftroom en wind en vloed ;
En geen' andren fchat waardeeren dan de vrijheid van 't gemoed?
Is dit dwaasheid? is 't geweten? is het hoogmoed? onverfland ?
Js 'tin 't vrije hart de werking van de veerkracht die het fpant?
Waarom dan...? Helaas, wat vraag ik, wat bedenk ik, ijdle dwaas
Waarom pikt of zwaan of doffer op geen ftinkend paardenaas?
'k Keer tot u, mijn dierbaar wichtjen, dat ik diep in 't harte draag
Waarvan zijt ge zoo gelukkig? Dil, dit was mijn eerfte vraag!
Ach! ik wil die vraag bellisfen. 't And woord ligt ons zoo naby!
Ons geluk is rein en ftoorloos naar zijn bron bereikbaar zy.
Ach! de kring, waarin gy ademt, is zoo onverdeeldbaar fmal.
Moeders borst en vaders lachjen is uw wareld, uw heelal!
Mag die borst flechts voor u vloeien, lacht dat vaderoog u aan,
Niels ontbreekt u, dierbare Engel, al uw wenfehen zijn voldaan!
Ach! mocht ik me zoo beperken! En waarom toch zou ik niet?