Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 131 —
loe is dan die vreugd zoo ftreeiend, die u uil liel oogjen laclil?
Zoo beloovrend, zoo verrukkend, van zoo'n onweèrflaanbre kracbl I
Waarom zinkt er in mijn boezem alle levenszorg by neêr?
Waarom keert my met dat laebjen de onberoerde kindsheid weêr?
Waarom dank ik dan, o ilemel, waarom dan, en dan alleen,
)at ik zijn moebt en gevoelen! dat ik adem! dat ik ween!
Waarom anders is de wareld my een dorre woesleny,
)al ik treurend door moet wandlen aan mijn lieve Gades zy'?
Vaarom groeide er niel één roosjen, niel een bloemljen op mijn pad?
Siel één bloemljen van verkwikking, waar mijn leed zieb in vergal?
»Vaarom breekt die lange loopbaan van mijn wieg lol aan mijn graf
Bergens in een grazig beemdljen haar afgrijsbre dorheid af?
)f, waar, waarom kan mijn boezem al de distels, die zy teelt,
Siet voor louter rozen nemen, daar een argloos kind meé fpeell?
Dus, dus zuchtte ik, met hel wichtjen legen H kloppend hart geklemd,
k Zie zijn oogjen zich betrekken, of zijn hartjen met my ftemt.
kZie zich U mondtjen tot my flrekken, tol een teedre kus gefplilst;
Cusjen, dal geen hart kan veinzen; kusjen, vry van alle list!
a, mijn Engel, bied me uw kusjens; o zy dringen door mijn ziel!
Zoo was Evaas eerfte kusjen, eer haar de ecrfle blos ontviel!
Zoo was 't kusjen, daar heur lippen (de verrukking in het oog)
A.dam voor H beflaan meê dankten, dat zy uit zijn' boezem toog!
idam voor't beflaan mee dankten, 'tuil zijn borsl gefcheplbeflaan,
Ier haar borst nog had begonnen van eene andere drift te (laan {
\ch! die kusjens zijn geen kusjens die hel aardfche hart veritaal :
lel zijn fprenkels van een wellust, die Gods hemel vallen laat.
)roppels uit den gouden beker die de borst der Englen laaft!
Zalig hy, weldadige Almacht, wien Gy die te fmaken gaaft!
Wederom verzinkt mijn boezem in zijn geestbedwelmend leed ?
s de wareld dan zoo treurig, is bet leven dan zoo wreed?
loe! ik zie een' ftroom van menfchen in hel toppunt van 'L geluk,