Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
1805.
— 130 —
Ach! wat zijn wy diep gevallen,
Onbegrijpbre, groote God!
Wie belraclit er uit ons allen
Uw zoo kort, zoo klaar gebod?
Wil ik fiechts mijn plicht ontleden,
Wat ik doe, is overtreden;
Niets, hel geen baar eisch vervult!
't Kan mijne aardfche zinbefeffen
Tof die hoogte niet verhelTen,
Dat zy zuiver zijn aan fchuld.
Vruchtloos is mijn overdenken:
Gy, ó Godheid, die my hoorl.
Wil my zelf de Liefde fchenken!
Nimmer brengt mijn hart haar voort.
Leer my, ó, met ziel en zinnen
U als 't boogde goed beminnen.
En mijn' evenmensch als my!
Slorl dit, Heiland, in mijn harle!
Leer Uw uilgeftane fmarte
Aan mijn ziel wat Liefde zij!
De Zuigeling.
Waar van zijt ge zoo gelukkig, teder, lief, bekoorlijk wicht!
Waar van blinkt dat vol genoegen uil uw helder aangezicht?
Waar van is uw gantfche wezen één genoegen, ééne lust.
Als gy mcl dal rozenkoonljen aan uw moeders boezem rust?
Als gy U (eedre vaderlachjen, daar mijn hart zich in ontfluil,
Op mijn lippen moogl verrasfen, en het dartel legenguit?