Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
1805.
— 130 —
llv weet, wat my de God der Goden
ilcell toegelaten ol verboden;
Zijn uiirpraak is mijn wet alleen.
Mijn ziel verfoeit den leer der fnooden,
Die wisfelt met den wind der Moden,
En H oordeel aanneemt van 't Gemeen.
Laat andren ruimer naauwer denken!
De Christen hangt aan niemands wenken
Maar raadpleegt met zijn vrij gemoed!
En wie een vrijheid tracht te krenken,
Die God en 't Evangelie fchenken,
Zie toe, waar op hy inbreuk doel (').
Liefde.
^Do ig ban bc Xicfbc be üecüuüing bc^ tart.
Rüiu. xni.
Wat is Liefde, God der Goden,
Gy die niet dan Liefde zijt!
Niet dan Liefde hebt geboden.
Als het waardigst U gewijd!
ü met hart en ziel en zinnen.
Met mijn gantsch beflaan te minnen,
En mijn' evenmensch als my.
O wal zegt dit, Heer der Heeren?
Doe my inzien, doe my leeren.
Wat die ware Liefde zij!
(*) Kom. XiV.