Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— iii —
Oe Kijksvaan voerde 't krnis de Koomfehe legers voor,
En fehitlerde aan luin 1'pits m£t meer dan Zonnegloor.
De Tempels lloten zich, de ileidenfche Afgoon zwegen:
Wanneer een wakkre Vorsl, zeeghaltig door den degen.
Nu blinkende om de kruin mei Conftantinus kroon,
Zich neèrbuigt voor de diensl dier reeds vermufle Goon.
Hy, temmer van den Frank, en wapenfehrik van 't Noorden
lly, die zijn' roem verbreidde aan lihijn- en Isterboorden,
lly kromt de kniën voor eens Plutoos gaffelstal'.
En kust het ftof van 't kleed van tien Minervaas af'
Zijn voorhoofd drukt de fchort der Junoos en Dianen,
En net Alcides voet met huichelende tranen ;
lly zwaait eens Pollux ros het wierook door de lucht.
En hangt aan Kraaigcfchrej en ijdle Vogelvlucht!
Eens zou hy voor 't altaar der onderaardfche machten
Zijn fchrikbre Hecaté een plechtig olfer flachten.
De vaarzen ftonden daar, omhangen met cypres.
Voor de outerbijl gereed der gruwbre llelgodes,
En loeiden door 't gewelf en bloole Tempelwanden.
De Priefter, 't hoofd gehuld met krans en offerbanden.
Stak reeds 't geheiligd nies in 't rokende ingewand,
En wroette in de open borst met roodbebloede hand.
Nu merkt hy op 'tgekrimp van vezelen en fpieren,
Befchouwt het fombre bleek van lever, milt, en nieren,
En zoekt in 't lillend hart den laatften Icvensflag;
Wanneer !iy uitbarst in een hartbeweeglijk ach!
Ach! roept hy, ach mijn Vorst, wy zijn, wy zijn verloren!
Vergeefsch is 'I, in dit uur de toekomst na te s|)oren!
Zie, zie my beven, my verbleeken van den fchrik!
Een grooter Godheid ftoort in 'twichtigst oogenblik
De kracht der Nachtgodin, en al de plechtigheden
Van verschgeplengde melk en wierook en gebeden ,