Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 120 —
Om M lieldre hedcu uil Ie koopen,
Tol dat ge uw fehuur hebt vol gelorsl.
En wy, wy Christnen, marren, dralen.
Daar rijker oogst is in te halen
Dan Ennaas velden kleedt of Gelons heuvels kroont;
Den oogst van wel te doen, van zegen uil te breiden,
Genoegens over de aard te fpreiden!
Die vreugde roept ons, en wy beiden,
Hoe heerlijk zich dal uitzicht toont!
»Op morgen" zegt men. Ach!— zal ons dal morgen lichten'.
Helaas! eer de ochtend fchijnfel geeft,
O fterfling, hebt gy uitgeleefd.
En U graf verzwelgt hel goed, hel geen gy kost verrichten,
En, met dal goed, de vreugd die God u had bereid!
Ga, neem dil zelfverwijt dan meé in de eeuwigheid! —
Doch neen, ook ons moog 'l wéér verfchijnen!
Maar — even helder? even klaar?
Ach! lieten wc eens een* dag verdwijnen.
Die ons de laatfte op aard voor *t weldoen bruikbaar waar!
Wat welen we of de rest der ons beflemde dagen
JViet zwanger gaal van fchrikbre vlagen.
Wier woede d' oogst verbiedt, die op hel veld vergaal ?
Op heden gunt my God, mijn' naasle hulp Ic fchaffen,
Op morgen mooglijk is 't te Iaat,
Als Hy mijn plichtverzuim wil ftralTen,
En niels my overblijft dan nawee zonder baal.
Afgrijslijk ! — Jezus heeft de wreedfle fmart geleden
En niet vertraagd by 'l Kruis, het gruwzaam Kruis! Ik ijs!
Hy geeft en fielt niet uit, Hy, hoorder der gebeden!
»Nog heden (zegt Hy ftervend), heden,
»Ontfang ik u in 't Paradijs."