Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
vin
Men hecli my wcrklijk Ic kennen gegeven dal men in liet
Vaderland zich in eenige Tijdfchriflen, ter gelegenheid van de
aankondiging van een of meer mijner latere Werkjens, nie^-
weinig heeft vrolijk gemaakt over de Christelijke rechtzinnigheid
(dus noemde men H) die er in doorftraalde. Ik weet niet dal
zy in eenige mijner Gefchriften, waar zy te pas kwam, ont-
breekt. In tegendeel weet ik, dat ik nog aan de Univerliteil
zijnde, by het in het licht verfchijnen van verfcheiden mijner
Dichtftiikjens, Prijsverzen, en anderen, door lieden van andere
begrippen, met welke ik fteeds omgang gehad heb (ik fpreek
hier van mannen van geleerdheid en naam in de fraaie lette-
ren en andere wetenfchappcn) fteeds berispt ben geworden,
dat ik de rechtzinnigheid te veel deed doorftralen; het geen
anders denkenden (zei men my) aanftool mocht geven. Ik heb
echter nooit geloofd zulk een' aanftoot te moeten fchroomen,
vooral waar 't op wezendlijk Christendom en zijnen gronddag
aankwam, en geloof dit nog niet. Maar iels anders is het, als
een wclmeenend Chrislendom algemeen is, ongeroepen met zijnr
rechtzinnigheid Ie pralen; iels anders by eene zoo openlijke als
algemeene verguizing en omwerping van den grondvest allen
heils eene gepaste gelegenheid waar te nemen, om zijne Land-
genolen door eene vrije erkentenis van zijn gevoelen te flieh-
ten, te bemoedigen, te onderfteunen; en misfchien fommigen,
gereed met den ftroom af te drijven, lot nadenken te brengen.
Zoo overbodig het eerfte zou zijn, zoo plichtlijk is het ander
voor een' Christen, die het met het hart is. Voor my, zoo er
zijn, die gemeend hebben, dat de aart van mijne lloofdftudien
of mijn zucht tot vrij te denken met geen Chrislendom kon
beflaan, zy bedrogen zich; en ik weet niet, ooit door gefprek.
gefchrift, of gedrag voet gegeven Ie hebben, om my van on-
verfchilligheid voor den Godsdienst, van afkeer van de Open-
baring , of verfmading van Heilands zoendood verdacht te hou-
den. Ook was ik ten hoogfle verwonderd, my by myne aan-