Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— iio —
Tol zoo vcrp' wel, mijn Vriend! Uw oordeel is rechtvaardigj
Sehoon mooglijk overliaasl (de haasl is altijd kwaad):
Maar 'k bid u, verder niel! de daad zij flratïenswaardig.
Veroordeel baar, docb doem niet verder dan de daad.
»Maar hy die baar beoreel?" — ïs 't feit u reeds gebleken?
Beflaat hel? — O mijn Vriend, bellis toch niet zoo licht:
Niels kosl hel, om der deugd de harlaar af te fteken ;
Te hooren, eer hy doemt, zie daar eens rechters plicht!
Men zegt; ik hoor; ik denk, men beeft my doen gelooven;
'k Ben overreed in 'thart; dit al voldoet hier niet.
't Geldt hier uws naaslens eer; en hem die eer tc ontroovei
Is mooglijk meer dan 'l bloed dal uil een doodwond vliet,
't Gerucht is dikwerf valsch, verdraait, misvormt de zaken.
Maakt van de muis een' leeuw, een vijg tot molenfleen :
't Kan van een eerlijk man een' fchuwbren deugniet maken.
En enkle omflandigbeid fcheidl goed en kwaad van een.
Ilel geen ge onwetend doemt, is mooglijk boog te prijzen;
Zou, zoo gy 'l onderzocht, of onderzoeken mocht,
Eene achting in uw borst voor 't edel harl doen rijzen,
Dat voor geene opfpraak fchroomt,aan zuivren plicht verknocht
Befchouw des jonglings kling, met Vorstenbloed bedropen. —
Verrader! moorder van uw' Koning! ■—''k Heb geen schuld.--
't Tuigt alles tegen u.— Gy zult het duur bekoopen ! —
Welaan! ik flerf cn zwijg \ ik heb mijn plicht vervuld, —
Bloedfcbendig onverlaat! uw zwaard is in haar handen. —
Uw kleed, dat ge achterliet!— Het zij zoo,''k vrees geen straf,—
Voor 't minst,wecrfpreekl uw fchuld en dees hare onderpanden!—
Gods Almacht is genoeg; haar vrijfpraak wacht ik af.—
Zelfs Jezus werd gedoemd. Zoo licht is Hom te doemen!
De Landvoogd vindt geen fchuld; maar die Hem fchuldig acht
Wie zijn dat? Die zich-zelv' om flrenge zeden roemen.
Maar wier geveinsde ziel met God en Godsdienst lacht.
Maar zie uw' Socrates, dien gy zoo heilig rekent!