Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
vn
konlchap lang verdwenen. En zoo ik in deze dagen van nic-
nuind gegispt wilde worden, had ik een groot aantal ftnkken»
ilie in de tegenwoordige manier von denken omtrent den Gods'
dienst hors de faifon zijn, gelijk de Franschman hot, noemt,
moeten onderdrukken, welke het legen Vesprit du jour zou zijn,
7.00 men er wegens hun inhoud niet zeer laag op viel. Maar
zoo lief is my de lol" nooit geweest, dat ik ze' van de geheelc
wureJd in alles of zoeke of aanneme: en mijn Vaderland zal
in de tien jaren mijner uitlandigheid nog wel zoo niet verbas-
terd zijn, dal niemand meer lust of gevoel zoude hebben voor
eens Christens aandoeningen , die zeker, hemelsbreedte (en nog
oneindig meer) van den zoogenaamden Natuurlijken, Redelij-
ken, of Wijsgeerigen Godsleer (hoe moet hy al heeten) verfcheelt.
En mag er nechts één gevonden worden wien ik fliehte, hel
onlftieht zijn der overige heeft by hunne bekende verdraag-
zaamheid niet veel om het lijf. Of, zoo ik daar ook wat te veel
op mocht rekenen, hunne nieuwe Kettermakery, of (avü men
'idus liever genoemd hebben) hunne Domkop- en Huichelaar
makery, moge luid klateren, zy is my nog veel belachlijker
dan de dove blikfems van het Valicaan. Dit toch beval my mijne
oogen Ie Üuiten, maar deze nieuwe Godgeleerdheid bogeerl,
dat ik mei open oogen niet zie wat ik zie; en dal zie wat zy
meenen te zien, en de lengte van hun neus tot mijn' horifont
make, buiten welken niets anders is of zijn mag, dan w at hun
gelieft. Dit moge zeer fraai en roemruchtig heeten; het is nu
eenmaal zoo, dat ik mijn eigen bril gebruike om niel te flrui-
kelen; is het glas ook niel geheel zuiver, het bewaart my toch
van te vallen, en doet my iels verder zien dan de ftruikelblok-
kcn, die voor hun de einden des heelals zijn. — Älaar vreeze
ik dan niet, deze Heeren te verftooren, die thands Kabinetten
en ünivcrfiteiten, zoo wel als Kanfels en Scholen, die Jour-
nalen en Lellertijdingen, en wat niel al, inhebben ?—■ Even-
zeer, als de bajonelten in vroeger dagen! maar ook meer niel.