Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— iii —
Mijn ziel, van waar dit vreemd verlangen?
Wat hoopt gy van dit morgenlicht?
Wat glans verheldert u H gezicht?
Wat droogt de tranen op uw wangen?
Wat heelt u H hoofd dus opgericht?
Hoe zou er vreugde zijn te fmaken
In H midden van de ftrengfte pijn?
ïs 't tijd lijk onheil enkel fchijn,
Waar meé we ons-zelv' rampzalig maken;
En kunnen wy gelukkig zijn?
Gy, gy gevoelt het; ja, wy kunnen! —
Waar toe verbittren wy ons lot.
En fluiten 't harte voor 't genot
Van 't geen uw welda&n ons vergunnen,
O Goed, ó Aartsweldadig God!
O Bron van leven, heil, en zegen,
Wien 'svogels fchorrc wildzang prijst!
Wien aarde en hemel dank bewijst!
O leer ons flechts Uw weldaän wegen.
Met elke Zon die voor ons rijst!
Ontallijk zijn zy, zonder palen,
Of maat, of eind, of peil, of grond.
Zy rijzen ieder morgenftond.
Maar duiken met geen avondftralen,
Noch draaien met den Hemel rond.
Mijn God, ja, doe ze my gevoelen!
Gy geeft ze, ja; ik vraag ze niet.
Gy geeft ze in 't midden van 't verdriet!