Boekgegevens
Titel: Nieuwe mengelingen
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, 64-67
Auteur: Bilderdijk, Willem
Uitgave: Schiedam: H.A.M. Roelants, ca. 1861 *
[Heruitg.]
Opmerking: Bevat de dl. 1-2 van Nieuwe mengelingen, 1859
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-202
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200256
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe mengelingen
Vorige scan Volgende scanScanned page

XVIII
iiocgcn dal mijn arbeid hem geven kan, zoo zeer als op 'l oor-
deel dat Iiy er over vellen zal, invloed heeft.
Ik zeg, op het oordeel, dat hy er over zal vellen: niet als
ol ik door redenen hem eene goedkeuring afdringen wilde, die,
zoo de bloote lezing ze niet bij hem verwekt, in het Dichter-
lijke kleene waardij heeft. Er kunnen in een Dicht- of Schilder-
ftuk l'choonheden zijn, die niet dadelijk in hel oog vallen, ja
die eene licht voorbygaande lezing of aanfchouwing niet opmer-
ken doet: maar dit zijn dan ilechts fchoonheden in het ftuk,
en met al welke hel ftuk de algemeene fchoonheid, die het on-
derfcheidcn moesl, mangelen kan. Doch deze laatfte verbergt
zich even weinig ais het licht in de lamphooru of de morgen-
ftond aan de kimmen. Neen, maar het is niet evenveel, of wy
in de bruine Andromeda eene blanke Leda, in de wilde Ha-
geroos eene door de Tuin- of Hovenierkunst honderdvoudig ver-
dubbelde Hofbloem verwachten, of wel het fchakeerfel der veel-
verwige Renonkel in de flechts tweekleurige Peonie. Te loor
gefielde verwachting, al heeft zy geen' grond gehad, misleidt
immer, en de Dichter of Schrijver heeft ongelijk, als hy aan
het denkbeeld des f.ezers niet beantwoordt.
Wat geef ik u derhalve, mijn Lezers, in dezen nieuwen Bon-
del?— Eene mengeling van verfcheidenheden, waar in het won-
der zou zijn, zoo niet ieder ten minfte iets van zijn* fmaak
vond; maar waar van het even zeer, ja nog meer onmooglijk
is, dat zy allen aan ieder behagen zouden. Algemeen behagen
mag de Dichtkunst, hare werken kunnen het niet ieder op
zich-zelve; en die 't zoekt, jaagt een herfenfchim na. Achttien
jaar oud zijnde, verbeeldt men het zich, maar met vijftig win-
ters op den rug is die eerfte bedwelming van jeugdige dron-