Boekgegevens
Titel: Kleine schets der Nederduitsche taalkunde, tot bijzonder gebruik in de school te Zaandijk
Auteur: Barnouw, Pieter
Uitgave: [S.l.: s.n.], 1837 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1200
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200200
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleine schets der Nederduitsche taalkunde, tot bijzonder gebruik in de school te Zaandijk
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 12 -
tijd waarvan men spreekt, enkel als toekomstig voor,
als: ih zal schrijven, w^ zullen vertrekken,
De tweede toekomende tqd stelt ook eene zaai als
toekomstig voor, maar die verleden zal z^n op den
tgd, waarvan men spreekt, als: morgen avond zal ik
dit werk gedaan hebben.
Sommige werkwoorden zijn daarenboven nog met
voorzetsels, bijwoorden of ook met naamwoorden ver-
een igd, en dtexehetX men zamengestelde, doorgaan,
wederkomen, handhaven enz. Hierbij moet op den
nadruk gelet worden, of die op het voorvoegsel, dan
wel op het werkwoord valt. — Valt de nadruk op het
voorvoegsel, dan is dit doorgaans scheidbaar, ten
minste dan, wanneer in het verledene deelwoord, tusschen
dat voorvoegsel en het WM-kwoord, de lettergreep ge
kan worden gevoegd. Zoo zegt men: hij ging door,
ik kom weder, maar ook: zij zijn doorgegaan , w^ z^n
wedergekomen : men zegt wei ik handhaafde , en w^
hebben gehandhaafd, maar niet handgehaafd.
§ 5. Vervolg. Derde hoofdsoort.
Kleinere Rededeelen.
Telwoorden dienen om de hoeveelheid der dingen uit
te drukken. Zij zijn tweederlei, n.I. bepaalde en onbe-
paalde. De eerste zijn de grondgetallen i, 2, 3, 4 enz.,
terwijl de onbepaalde of algemeene niet het juiste getal
der dingen uitdrukken , als : eenige, sommige , vele,
alle enz.
Bijwoorden komefl bij de werkwoorden en drukken
uit wanneer, waar of hoe de werking geschiedt; zj?