Boekgegevens
Titel: Kleine schets der Nederduitsche taalkunde, tot bijzonder gebruik in de school te Zaandijk
Auteur: Barnouw, Pieter
Uitgave: [S.l.: s.n.], 1837 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1200
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200200
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleine schets der Nederduitsche taalkunde, tot bijzonder gebruik in de school te Zaandijk
Vorige scan Volgende scanScanned page
6 —
b^voegel^he naamwoorden en de voomaarmfoorden in die
^r gevallen ondergaan; welke verbuigingen dan ook,
elk in het bijzonder, behooren beoefend te worden.
B^wegelghe naamwoorden drukken de hoedanigheid
der voorwerpen uit. Zij worden vóór de naamwoorden
gevoegd, en moeten het geslacht, het getal en den
naamval der naamwoorden volgen, uitgezonderd de
woorden allerlei, velerlei, allerhande velerhande;
ook die , welke de stof uitdrukken, waaruit devoorwerpen
gevormd zijn; alsmede alie bijvoegelijke naamwoorden,
die, met het koppelwoord, achter de naamwoorden
komen, enz.
De b^voegelgke naamwoorden hebben ook twee trap-
pen van vergelgking, n.1, den vergrootenden en den
overtreffenden trap. De eerste wordt gevormd door de
letters er, en de tweede door st achter de bijv. naam-
woorden te voegen,
Voorrbaarrvwoorden worden in de plaats der naam-
woorden genoegd, om derzelver gedurige herhaling te
vermijden. Men onderscheidt dezelve in zes soorten,
als: persoonlqke, hezittelqke, wederkeerende, vragende,
aanwgzende en betrekkelijke.
Personen zijn er eigentlijk drie, n.1. de persoon die
spreekt, die aangesproken wordt, en die waarvan men
spreekt. Zij kunnen in het enkel- en meervoud gebruikt,
en in de taal op alle voorwerpen toegepast worden.
Hg persoonlijke voornaamwoorden komen dus, zoowel in
de plaats der namen van menschen , als van alle levende
en levenlooze zaken. Zg zgn, enkelv. ïk, g^ , hq,
(vrouwel, sjr', onz. hei) en meerv. wij, gq , z^.
Bezittel^ke voornaamwoorden dtdden eenen eigendom