Boekgegevens
Titel: Taaloefeningen voor de lagere school
Auteur: van Agt, Martin P.
Uitgave: Tiel: D. Mijs, ca. 1880-... *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1161
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200186
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
h. In zinnen als:
De boer ploegt; wij eten; ik lees; zij schrijven;
gij zingt; — wordt de werking voorgesteld als te
gebeuren op dit oogetiblik, nii, op dezen tijd: het
werkwoord staat in den tegemcoordigen tijd.
De boer ploegde; wjj aten; ik las; zij schreven;
gij zongt; —
De boer heeft geploegd; wij hebben gegeten; ik
heb gelezen; zij hebben geschreven; gjj hebt ge-
zongen; —
De boer had geploegd; wij hadden gegeten; ik
had gelezen; zij hadden geschreven; gij hadt ge-
zongen; —
De werking wordt nu voorgesteld als geschied in
een voorlij zijnden tijd: het werkwoord staat in een
verleden tijd.
Dg boer zal ploegen; wij zullen eten; ik zal lezen;
zij zullen schrijven; gij zult zingen; —
De boer zal geploegd hebben; wij zullen gegeten
hebben; ik zal gelezen hebben; zij zullen geschreven
hebben; gjj zult gezongen hebben; —
De werking is voorgesteld als moetende nog gedaan
worden, als te zullen geschieden in een tijd, die
nog moet komen: het werkwoord staat in den toe-
komenden tijd.
Door de verschillende vormen van het werkwoord
duidt men dus aan, wanneer de werking geschiedt.