Boekgegevens
Titel: Taaloefeningen voor de lagere school
Auteur: van Agt, Martin P.
Uitgave: Tiel: D. Mijs, ca. 1880-... *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1161
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200186
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
g. In den zin: In de school heeft deze knaap
veel goeds geleerd, is heeft geleerd de vorm van het
•werkwoord; deze knaap is de oorzaak van den vorm,
dus onderwerp. Bij dat onderwerp hoort heeft geleerd,
zoodat heeft geleerd het gezegde is. Onderwerp en
gezegde vormen samen den zin: De knaap heeft
geleerd. Uit dezen eenvoudigen zin ontstaat de ge-
noemde grootere zin door het antwoord op deze twee
vragen daarbij te voegen: Waar heeft de knaap
geleerd ? Wat heeft de knaap geleerd ?
De antwoorden op dergelijke vragen heeten bij het
ontleden bepalingen.
30.
Ontdoe de volgende zinnen van alle bepalingen:
De lamp brandt helder. In den zomer sta ik vroeg
op. De nachtegaal slaat het meest in den nacht.
De dieven beminnen de duisternis. De maan is eene
vijandin van slechte menschen. Karei V werd in
1500 te Gent geboren. Jong rijs kan gemakkelijk
gebogen worden. "Wie buigt oude boomen ? Een
jong hondje kan men leeren springen. Een jong
vogeltje leert liedjes zingen. Een jongen papegaai
leert men menschenpraat. Voor groote menschen
komt de school te laat. Dwaze kinderen roemen op
het geld hunner ouders. Een degelijk man wil niet
op kosten van anderen leven. Iedereen moet arbei-
den in de wereld. Niets is ledig in Gods schepping.