Boekgegevens
Titel: Taaloefeningen voor de lagere school
Auteur: van Agt, Martin P.
Uitgave: Tiel: D. Mijs, ca. 1880-... *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1161
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200186
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
Wijs in vorenstaande zinnen den vorm van het
werkwoord door één streepje en de oorzaak van dien
vorm (onderwerp) door twee streepjes aan.
Bv. De koe gaat naar de weide.
9.
Toon door 25 voorbeelden aan, dat de vorm
der werkwoorden verandert door verandering van
onderwerp.
Bijv.: De koe gaat — Ik ga.
De raaf kraste — De raven krasten.
Ik zaai — Wij zaaien.
e. Wij kennen reeds het onderwerp. Zeg ik bv.:
Ik schrijf een langen brief aan mijn broeder, dan
is het woordje ik onderwerp en dat woordje maakt
reeds met het woord schrijf een zin, doch dit is
niet het geval met een der andere deelen van dien
zin. Men kan zeggen en zal dan ook verstaan worden:
ik schrijf, doch niet: ik een brief, ik een langen,
ik aan mijn broeder. liet deel nu, dat noodzakelijk
bij het onderwerp behoort, dat met het onderwerp
reeds een zin vormt, heet gezegde.