Boekgegevens
Titel: Taaloefeningen voor de lagere school
Auteur: van Agt, Martin P.
Uitgave: Tiel: D. Mijs, ca. 1880-... *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1161
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200186
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Taaloefeningen voor de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
Gebruik de volgende vormen van werkwoorden in
zinnen:
sluit, droomde,
wierp, antwoordden,
ging, had geweend,
droeg, was gebroken,
zal komen,
zal geschreven hebben,
heeft getroffen,
is geslagen.
toekomende tijd.
d. Wij hebben reeds gezien, dat de vorm der werk-
woorden verandert naar den tjjd, waarin de werking
geschiedt.
De hann kraait — tegenwoordige tijd.
„ „ kraaide 1
„ „ heeft gekraaid 1 verleden tijd.
„ „ had gekraaid )
„ „ zal kraaien
„ , zal gekraaid hebben
Zegt men nu echter: ik roep., de knecht roept.,
de vrouwen roepen, dan wijst de vorm van het werk-
woord steeds denzelfden tijd aan en toch verschillen
de vormen: roep, roept, roepen. Er moet dus nog
eene oorzaak voor dien vorm zijn. Die oorzaak ligt
hier in de woordjes ik, de knecht, de vrouwen.
Die oorzaak van den vorm van het werkwoord heet
onderwerp. Zij is in eiken zin gemakkelijk aan te
wijzen, omdat zij met den vorm van het werkwoord
steeds een zin vormt.