Boekgegevens
Titel: Fransche oefeningen, met de noodige spraakkunstige aanwijzingen en ophelderingen, ten dienste der Nederlandsche jeugd.
Deel: zevende stukje Bevattende oefeningen over eenige synoniemen en andere bijzonderheden betreffende het taalgebruik
Auteur: Baudet, P.J.
Uitgave: Deventer: De Lange, 1844
2e dr; 1e dr. 1842
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1087
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200143
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche oefeningen, met de noodige spraakkunstige aanwijzingen en ophelderingen, ten dienste der Nederlandsche jeugd.
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 90 )'
planliiig gekocht hebt, en die g§ Lindor en Ro-
sette genoemd hebt?
— Maar — in der daad — eene flaauwe her-
innering — wacht eens — dat is meer dan dertig
jaren geleden. Zoudt gij het zijn?
— Ja, Mijnheer, wij , die kort daarop vertrok-
ken zijn.
— Sta op, Rosette, zeide de planter aange-
daan , en de arme negerin stond geheel bevend op.
9. Vervolg.
Toen nam de oude neger het woord, en zeide:
na u verlaten te hebben, mijn waarde meester,
zochten wij eene schuilplaats in het bosch, aan
den voet van den bei:g, waar wij andere gevlug-
te zwarten vonden, die ons opnamen. Ik kwam
niet weer in de stad dan tien jai'en later. Ik was
toen niet meer kenbaar. Ik vernam naar u bij
eenige slaven, zoo menigmaal ik eene reis deed
om zout en rijst te halen in ruiling voor eenige
bananen, die ik bij mijn hol aankweekte, en ik
was er op bedacht om u vergiffenis te komen vra-
gen. Rosette was myne vrouw. Wij spraken
steeds van u, en wij vreesden uwen vloek. Voor
drie dagen , heb ik gehoord dat onze jonge mees-
teres van daag trouwde; dat uw hart in de vreug-
de gedompeld was, en ik heb van die omstandig-
heid gebruik gemaakt om u te komen terug geven
wat u toebehoort met de interesten.
— Ik vergeef u, mijne vrienden, zeide de plan-
ter, en stel xi vrij van de interesten.
— Gij zult ze hebben, mijn goede meester,
hernam Lindor, met eene sterke stem, en als gij
het veroorlooft, zal ik ze dadelijk aan mijne jon-