Boekgegevens
Titel: Fransche oefeningen, met de noodige spraakkunstige aanwijzingen en ophelderingen, ten dienste der Nederlandsche jeugd.
Deel: zevende stukje Bevattende oefeningen over eenige synoniemen en andere bijzonderheden betreffende het taalgebruik
Auteur: Baudet, P.J.
Uitgave: Deventer: De Lange, 1844
2e dr; 1e dr. 1842
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1087
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200143
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche oefeningen, met de noodige spraakkunstige aanwijzingen en ophelderingen, ten dienste der Nederlandsche jeugd.
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 24 )'
CHEF, TÈTK, UCBE.
Chef (hoofd , opperhoofd) désigne la siipérioril
Le chef de la famille. Het hoofd des huisgezii
Le chef de Uétat.
Il a agi de son chef.
Un chef-lieu.
Un chef d'œuvre.
Un chef d'escadre.
Tête, (hoofd , kop) pai-tie de l'animal, siège (
tous les sens.
Het hoofd van den staat.
Hij heeft op eigen gez
gehandeld.
Eene hoofdplaats.
Een meesterstuk.
Een schout bij nacht.
La tête de Vhomme.
van
de
Het hoofd
mensch.
La tête du cheval, du De kop van het paarc
boeuf, etc.
II se conduit à sa tête.
van den os, enz.
Hij gedraagt zich na;
zijn eigen hoofd.
Hij , die zich met ee
lijkheid gedraagt, ka
zich overal zond(
schroom vertoonen.
Iemand het hoofd biedei
Celui qui se conduit
avec probité peut al-
ler partout tête le-
vée.
Tenir tête, faire tête
à quelqu'un.
Hure (kop) se dit de la tète de quelques an
maux.
La hure du lion , du De kop van den leeuw
sanglier, du saumon, van het wilde zwijn
du brochet. van den zalm, va
den snoek.
ESCALIER , MARCHE , DEGRÉ.
L'escalier est la partie d'un édifice pour moi