Boekgegevens
Titel: Fransche oefeningen, met de noodige spraakkunstige aanwijzingen en ophelderingen, ten dienste der Nederlandsche jeugd.
Deel: zevende stukje Bevattende oefeningen over eenige synoniemen en andere bijzonderheden betreffende het taalgebruik
Auteur: Baudet, P.J.
Uitgave: Deventer: De Lange, 1844
2e dr; 1e dr. 1842
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1087
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200143
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Fransche oefeningen, met de noodige spraakkunstige aanwijzingen en ophelderingen, ten dienste der Nederlandsche jeugd.
Vorige scan Volgende scanScanned page
( )
I tvekkelijke voovnaamwoordcii ; doch slechts in de
tegcnwoordigen tijd.
Me voici, hier ben ik. Uhoinme que voilà
de man die daar is.
Gij zoekt naar uwe boeken. Daar zijn zij.
Uier zijn wij gereed om te vertrekken. De hr
zen , die daar staan zullen verkocht worden. H
wangedrag, waarvan dit de gevolgen z^jn, mot
der jeugd ten voorbedde strekken.
4.
Aller, venir.
De hollanders gebruiken dikwijls «//er, Wï
men venir moet gebruiken. Aller beteekent w(
in gezelschap met den sprekenden persoon,
men vooraf vereenigd is. Wij gaan zamen n;
Rotterdam. Zegt^ men : mijn broeder vertn
f morgen naar Rotterdam: wilt gij met hem gaa
dan is de sprekende persoon niet van de reis.
die beide volzinnen is aller gebruikelijk. 51
als de verceniging niet deii sprekenden pers<
nog moet plaats hebben , als in : ik vertrek ni
gen naar Rotterdam; wilt gij met mij gaan, c
mag men aller niet gebruiken : men njoet z
van venir bedienen.
Laisser, faire.
Laten (laisser) beteekent : geene verander
€tanhrengen, — niet verhinderen. Wij heK
de kinderen te huis gelaten. Ik zal die boe
laten zoo als zij zijn. Men heeft hen laten
trekken, dewijl zij niet wilden blijven.
Laien (faire) heeft de beteekenis van bevi
iets te doen. Hij heeft con huis laten bouwer