Boekgegevens
Titel: Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1021
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200125
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
BLI
h. Republiek is behouden; bij ons volk schier ver-
gelen , is het woord in den laatsten lijd weder
overbekend geworden, en de taal des levens schijnt
met de dagbladen enz. overeen gekomen Ie zijn,
om het woord gemeenebest niet te gebruiken.
219a. Daar het niet verstaan van kortswijl hier als eene
algemeene eigenschap der geregtsdienaars voorkomt,
moet men in den legenw. lijd spreken, ofschoon
de andere werkwoorden in dit 1N'°- in den verl.
lijd zijn.
b.Yan haar, toen, enz. De Graaf kon het eerst
bevelen, nadat de vrouw gevat was, entoenhx]
het beval, waren ze dus niet meer bezig met
overmeesteren; toen, is dus veranderd in doch.
c. Bevelen heeft den persoon in den 3den en de
zaak in den 4den naamval', daarom is hun of
aan hen ingevoegd, wij zien er echter geen kwaad
in om het weg te laten.
d. Wij vonden des Graven gezegde juist niet zoo uit-
sluitend koninklijk en hebben dit bijv. nw. dus
■weggelaten.
220a. Die enz. Ons voldoet deze tusschenzin, evenals
reeds bij het verbeteren, op nieuw niet. — Het
is alsof er ook nog andere grassoorten zijn^Even-
wel, volgensMülders, iXederl. Spraakk. § 374
behoort die, gebruikt Ie worden, zijnde de tus-
schenzin een verklarende.
b. Stengels, zie over het meerv. op s of op e», Dr.
Nassaü , M. v. T. H. bl. 2. en reeds Ten Kate, I bl. 382.
c. Het meery. van lid is leden, van hel oude led
of lede, zooals steden van stad oudtijds sted of
stede enz.
d. Langwerpig kan hier ook als bepaling van smalle be-
schouwd worden en is dan bijwoord, dus zonder e.
e. Omdat deze zelfst. naamw. van verschillend ge-
slacht zijn, moet het lidwoord herhaald worden.