Boekgegevens
Titel: Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1021
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200125
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
BLI
d. Genet, eene kleine soort van Spaansche paarden.
c. Vizier, opening voor de oogen in een' helm.
Bildehdijk schrijft vezier.
f. Banier, vaandel of standaard. Wie begeerig is
uitvoerig over de instelhng, de onderscheidene
rangen der edelen en dus ook over baanrotsen,
banderotsen, banierheeren, banjerheeren, of ban-
jers te lezen, neme G. van Loon, aloude Rege-
ringvvijze van Holland. V. dl. H. stuk. Volgens
diens verklaringen doet men beter bannier te
schrijven; ofschoon men reeds bij Melis Stoke,
banier vindt. Zie 266 g. Ook bij van Helü :
ander die baniere van Gelre.
f. Dagen, in proza opdagen. Het daghet uit den
oosten, de dag begint te komen, het begint dag
te worden. Dit daghet uit den oosten vindt men
in Prof. VissciiEH, Bijdragen tot de oude Let-
terkunde der Nederlanden bl. 251. Het is door
den * dichter Beets voor onzen tijd omgewerkt in,
Jaarg. 1 van de Gids. — Ze kwamen opdagen, ver-
schijnen.
208a. Als wenschend staat het werkwoord in de aanv.
wijze en dus het zij mij enz.
b. Beschoren verl. deelw., waarvan de onbep. wijs
wordt opgegeven , bescheren (toedeelen) en verder
ik beschoor {wij beschoren) heb beschoren. Wij
herinneren ons niet, het ooit anders dan onpers.
en in het verl. deelw. gebruikt Ie hebben gezien.
210 't Sestig, zoo werden weleer de tienlallen ver-
scherpt, waarvan tachtig nog is overgebleven.
211a. Voor het verl. deelw. uitgepuild, neme men hier
het tegenw. deelw. uitpuilende.
b. Ligt schuwe is zeer of ligtelijk schuw, en hier
dus niet goed, daar de uil het licht vermijdt.
c. Ofschoon men kleine vogeltjes in sommige geval-
len juist bezigen kan, daar er onder dei vogeltjes