Boekgegevens
Titel: Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1021
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200125
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
BLI
15a. Dewijl ledigheid en luiheid nagenoeg het zelfde
uitdrukken, is één voldoende.
b. Omdat luiheid vrouwelijk is, moet het zijn voor-
loopster.
16. Dicht en trant, dus tt, het is onderw. en alzoo
eerste naamv.
17a. Wasschen is reinigen, wassen is groeijen.
b. Nijl is Mannel, dus %ijne oevers.
c. Gelijk is, is veel sterker uitdrukking dan gelijkt.
d. Eene rivier heeft altijd twee oevers of boorden,
zoo als hier staat, om niet oevers te herhalen.
18a. De grond komt als zijnde voor, is onderw. en
staat dus in den eersten naamv.
b. Van iets bedekt zijn, moet wezen met iets
(taalgebr.)
c. De woorden toaarin, waarvan enz. worden liever
niet gescheiden. Kinker (Beoord. bl. 7) is van
oordeel dat men ze scheiden mag.
d. Zonder te, zie Weiland bl. 164 § 156.
e. Van welke. Het scheen ons onbepaald, wat het
antecedent van dit welke is.
19a. De bepaling: tusschen welke tot ligt, behoort
achter monden en niet achter zee.
b. Met monden uitloopen, kan er door; maar met
monden ontlasten, moet zijn door monden.
20a. Wat noemt men bron? Daar, waar enz. Deze
zin is dus verward.
Z». Men behoeft ook juist niet aan de bron te staan,
om te weten waar de regter- of de linker-oever is.
21a. Bilderdijk schrijft Pyramiden. (Men leze over
Vi y» Albebd. Tiiijji, Spelling der Bastaart-
woorden bl. 87—101.
b. Groote is hier bijv. naamw. en heeft dus ééne t.
c. Vierkantig kan eene figuur genoemd worden, welke
vier zijden heeft. Zijn deze zijden gelijk en de
hoeken regt, dan is de figuur vierkant.