Boekgegevens
Titel: Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1021
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200125
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
BLI
om zou in Willem den Zwijger, »Govert, den Bulte-
naar,de Zwijger en de Bultenaar meer zelfst. naamw.
zij^ dan in »Willem den Goede" het de Goede is.
Ook van drie Willems sprekende, ieder met den
toenaam de Goede, moet men volgens Weiland zeg-
gen: de drie Willems de Goede. Wij zouden ver-
kiezen : de Goeden. Waarom zegt men ook van twee
Hendriks sprekende, de eene in Denemarken, de an-
dere in Nederland geboren: Hendrik, de Deen of de
rVederlander èn niet de Deensche, de Kederlandsehe, zoo
men den toenaam niet als een z. n. w. aanmerkt?
Wij hadden dus gaarne in N°. 57 verbeterd den
Groote, in 286 den Tweede enz.
vii. iets over zei, f.
Het -woord zelf wordt in de Woordenboeken een
bijv. n. w. genoemd, misschien omdat het ergens
bijgevoegd wordt; het heeft anders door beteeke-
nis, noch plaatsing weinig met de bijv. n. w. ge-
meens. ■— Immers het staal altijd achter het z. n. w. en
soms geheel van zijn bijhehoorend woord gescheiden,
het wordt bij de pers. v. n, w. gevoegd, hetwelk wij
ons van g een ander bijv, n. w. herinneren, tenzij
deze als zelfst. gebruikt worden: het lieve ik enz.
Weiland, laat het woord tamelijk ongemoeid.
Bilderdijk, hecht het gewoonlijk met een — aan
hel bijbehoorende en is dit woord meerv. dan schrijft
hij zeiven; ook Dr. Brill (bl. 480.) gebruikt zeiven.
Prof. Geel, het Proza, schrijft: u zelve, wij zeiven.
Het M. v. N. T. in de verbeteringen, wil zelve
(altijd?) omdat het bijv. is.
Maar waar is een tweede voorbeeld, in onze heden-
daagsche taal, {want oudtijds waren do dichters wel
gewoon hst bijv. n. w. achter te plaatsen,) dat een
bijvoegelijk naamw. zonder koppelwoord achter zijn
ïclfst. n. \Y. staat, en verbogen wordt?