Boekgegevens
Titel: Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1021
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200125
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
BLI
len, uit zijnen tuin weggevangen had, maar door de ver-
meerdering dor wormen genoodzaai<t was, weder eene
mol (een dragtig wijfje?) te koopen. liet was dus
van twee kwaden het minste kiezen. Maar als de
vergehjking al steek houdt, dan is het toch nog be-
ter de heide kwaden te vermijden, gelijk een dorps-
onderwijzer deed, die de mollen ongenadig aan de
ellenheid zijner aardbei- en tulpenhedden opoll'erde,
en levens de wormen wegving, doordien hij een paal-
tje bij de paden in den grond sloeg en heen en we-
der bewoog. De wormen, door de dreunende be-
weging van den grond op de gedachte komende, dat
hun doodvijand naderde, verlieten in allerijl hunne
schuilplaatsen en vielen in de rappe handen van
meester, meesters vrouw en kinderen.
iv. uet werkwookd laten.
Ofschoon Weiland alleen den zin van bevel of verzoek,
een toelaten, — op de redenering van Nanninga, —
aan dit woord toestaat, zeide reeds de groote ten
Kate in 1713: »Dat het verbum Men Iweesiiits bij
ons in gebruik is, naemlijk voor toelaten (permittere)
en ook slegts voor een hulpwoord tot opwekking van
beweging." (I. D. bl 522). Eveneens zijn Bilderdijk en
Kisker (Beoord. 43 en 47) van oordeel dat men door het
gebruik van laat ik, laat mij fijne onderscheidingen
kan doen. Aan de Jager komt den lof toe, dit on-
derwerp behoorlijk uiteengezet, Nannixga wederlegd
en de nuances van dit tweederlei gebruik aangewezen
te hebben (zie T. M. 111. bladz. 265—294). Wij
hebben dus niet geaarzeld in N°. 156. «Laten wij
te bezigen, omdat het daar geen verzoek aan een' der-
den maar, eene opwekking, aansporing behelst. Dit
laatste scheen ons ook het geval te zijn in N°. 172:
Laten dan, (dat dan) de kinderen naar buiten sprin-
gen of kinderen! dan naar buiten gesprongen. Of-