Boekgegevens
Titel: Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1852
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1021
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200125
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Sleutel bij de verbetering der Drie honderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz.: voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
BLI
Het begin van eiken versregel, (ofschoon sommigen meer
wenschelijk achten zulks niet te doen, even als enkele
Dichters in Duitse bland het nalaten) beiialve de
verkortingen en, gelijk velen willen, het tnsschenw.
o! — In proza schrijft men dit o! wel als eene kapitale
letter, waarom dan niet in poëzy en waarom dit niet
en de andere tusschenwerpsels wel? Nog anderen
willen dit o! met een zamentrekkingsteeken, ó! ge-
schreven hebben: om er daardoor meer kracht aan te
geven, doch dan wordt, dunkt ons, het verkeerde
teeken gebruikt. Ook zal het hun met die kracht wel
gaan, als sommigen lieden, die in het ende, uitgerekt
tot endeée, »0, zoo'n kracht vinden."
m. over het gebrü1k van dezelve en al des-
zelfs broertjes, zusjes, neefjes, etcetera,
Het gebruik van deze woorden in den prozastijl,
(in poëzy zal men het nimmer aantreffen) werd reeds
door IJiLDERDiJK onvoorwaardelijk afgekeurd.
Kikker, Beoord. bl. 36, keurt het mede af, maar
wil ze toch niet geheel verbannen hebben.
Desalniettemin werd het gebruik dikwijls misbruik,
tot dat de Gids (door zeker poëet de blaauwe wolf
genoemd, gewis met het oog op zijne gehavende vaer-
zen), door aanhoudend geeselen eindelijk den afkeer
tegen dezen familienasleep bijna algemeen maakte.
En dat de stijl bij de weglating wint, ziet men, met
name, bij Prof. Geel, den prins van het proza, die
ze, zoo verre wij konden nagaan, niet gebruikt.
Ook thans zijn er velen, die geene totale afschaf-
fing — als wij die benaming der natte zaak bij
deze drooge gebruiken mogen — en anderen, die
een matig gebruik voorstaan.
Hamelberg (Mag. v. N. T. bl. 1) haalt het voor-
beeld aan van den dorpsschoolmeester, die al de mol-