Boekgegevens
Titel: De arme Jakob: een leesboek voor de scholen.
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Noothoven van Goor, 1861
6e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 806
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200108
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De arme Jakob: een leesboek voor de scholen.
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
boodschapijen , waarmede ik belast was. Intusschen overviel mij onder-
weg een geweldige regen , zoadat ik binnen weinige minuten tot op
het hemd toe nat was. Rillende van koude, kwam ik weder op mijnen
winkel, en begaf mij aan het werk , mij in stilte beklagende over
de onbarmhartigheid van eenen man, die mij, buiten dringende
noodxakelijkheid, aan zulk weder had blootgesteld, want het had
den ganschen dag bijna onophoudelijk geregend. Toen ik terug kwam,
was mijn baas niet in den winkel. Ik wachtte , — eindelijk verscheen
hij, en toen reeds lang de tijd voorbij was, waarop wij gewoon
waren heiwerk te staken, waagde ik het, hem te vragen, of ik naar
huis mogt gaan. Hij stond mij dit toe, en ik haastte mij naar huis,
terwijl ik mij zeer verblijdde, dat hij van besluit, om een gedeelte
van dien nacht te werken , scheen veranderd te zijn.
Zoodra ik te huis gekomen was, ontdeed ik mij 200 veel mogelijk
van mijne natte kleederen, met oogmerk om spoedig naar bed te gaan,
naardien ik geen vuur vond om mij te verwarmen, en ook zoo
schaars van kleederen voorzien was, dat ik de natte met geene
drooge kon verT^isselen. Maar hoe zeer zag ik mij te leur gesteld ,
toen mijn baas binnentrad, en mij, onder een vloed van scheldwoor-
den, gelastte hem te volgtn. Ik wist wel — zeide hij — dat hij mij
gezegd had, dat ik een gedeelte van den nacht met hem moest
werken ; maar dat ik een luiaard was , en mij daarom zoo spoedig
had weggemaakt. Ik verontschuldigde mij met te zeggen , dat ik hem
zulks verzocht, en bij mij dit toegestaan had. Ik wist dit welbeter —
hernam hij.— Het was wel mogelijk, dat hij, in gedachte, op mijne
vraag ja gezegd had; doch ik had zulke vragen niet moeten doen ;
ik wist wel, wat hij mij belast had. Ik bad hem dringend om te
huis te mogen blijven. Ik toonde hem mijne natte kleedtren, en
bekende hem , dat ik geene andere had om aan te trekken j doch
niets mogt baten, en ik moest gehoorzamen. Ik zocht dan mijne
doorweekte schoenen en kousen weder op, trok mijne natte kleederen
weder aan, en volgde hem, om in dien staat het grootste gedeelte
van den nacht in een voorhuis zonder vuur door te brengen.
Hoe ik te moede was, laat zich naauwelijks 'eer-
beelden, Ik rilde zoo zeer van koude, dat ik niet
dan met moeite mijn werk verrigten kon. Ach!
mijn dierbare vader! — zuchtte ik in stilte — dat
ik u zoo vroeg missen moest. Zoo handeldet gij
nooil; zoo zoudt gij den verachtelijksleyi mensch niet
behandeld hebben. Ach! wat zijn wij ongelukkig! —
Ik doorliep in mijne gedachten den tijd, dien ik