Boekgegevens
Titel: De arme Jakob: een leesboek voor de scholen.
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Noothoven van Goor, 1861
6e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 806
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200108
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De arme Jakob: een leesboek voor de scholen.
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
zaam, wasitilj de arbeid zoodanig tot gewoonte
geworden , dat Ik geen oogenbBiic zonder zelf*
verveling kon ledig zijn. Dikwijls verwonderde
het mij , hoe mij té voren menig werk zoo
zwaar had kunnen vallen ; docii ik kende toen
de kraeht der gewoonte niet: gelukkig, die
deze tot het goede weet aan te wenden.
Met vlijl zetlede ik mijne werkzaamheden na den dood
mijm vaders voort, en hoopte weldra het middel gevonden
te hehben om mijne goede moeder te ondrrKtcunen ; doch de
Voo7'zie?iigheid had voor ndj eene andere loopï)aan bestemd.
Ik f)espcurde weld7'n, hoe moeijelijk het mijner moeder viel
om mij van hel noodige te verzorgen. Zitlf konde ik nog
niets verdienen , en mijn meester had aan mij weer moeite
dan de voordeden waren ^ die ik hem kon nanbrenqen. Naar
eenen winkel om te zien, waar ik iets kon verdienen, —
hierover liet ik menigmaal mijne gedachhm gaan; doch ik
besefte wel, dal ik dan ook van de gelegenheid zou ver-
stoken zijn , om mij naar cisch te bekwamen ; cn het zou
mij ook onmogelijk geweest zijn, uit eigene beweging, mijnen
meester, van wien ik zoo veel vevfdigting had, tè verlaten.
Zaniènloop van omstandigheden hewerkle echter tveldra,
hetgeen ik eersl voor onmogelijk hield.'
Toen mijne moeder het beroep mijns vaders
moest laten varen, riep zij mij tol zicli , en sprak
mij aan op eenen toon , die de diepste droefheid
kenmerkte, terwijl een stroom van tranen hare
verbleekte wangen bevochtigde.
Mij^e MOEDEit. Ach! ongelukkig kind! — Gij hebt
geen' vader meer...
Ik. Ach, ja —ik heb geen' vader meer—maar
ik heb toch nog eene Jiefderijke moeder!
Mij.\e moeder. Ja, dat hebt gij! — ntaar eene
zwakke, ziekelijke, verarmde moeder, die geen
vermogen meer heeft om u te ondei sleuiien, en
die daardoor haar lijden verzwaard vindt.