Boekgegevens
Titel: De arme Jakob: een leesboek voor de scholen.
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Noothoven van Goor, 1861
6e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 806
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200108
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De arme Jakob: een leesboek voor de scholen.
Vorige scan Volgende scanScanned page
66
Miju vader had mij tot schoenmaker bestemd. Niet, dat hij
meende, dat ik daartoe bijzonder berekend was; maar de nood
had hem daartoe gedrongen. Door hem in zijn handwerk be-
hulpzaam te zijn, kon ik hem meer voordeel aanbrengen dan
door eenig ander ambacht, ook was hij zoo vol ijver voor zijn
beroep, dat hij geen ander zou gekozen hebben — dit een en
ander nu regelde zijne keus.
Met mij was het echter geheel anders gesteld, want er was
geen handwerk, waartoe ik minder neiging gevoelde; doch ik
moest gehoorzamen, en deed dit ook met die onderwerping,
welke men van een regtgeaard kind kan verwachten. Intus-
schen bleef ik toch niet in gebreke, hem telkens mijnen tegen-
zin in het schoenmaken te betuigen. Ik zeide hem gedurig,
dat ik grooten lust had om schilder te worden; doch de goede
man haalde de schouders op, en antwoordde: *Als schoen-
maker kan ik u zelf onderrigteu, en u langs dien weg vau
dienst zijn, en dit is ook het voordeeligst vooru en voor ons.
En wat hebt gij tegen dit beroep ? Is het niet een eerlijk hand-
werk , dat zeer noodzakelijk is, en waardoor gij te eenigertijd
uw brood kunt verdienen, als gij slechts vlijtig en braaf zijt?
Met dit handwerk, kunt gij met weinig geld u nederzet-
ten; doch dit kunt gij als schilder niet, dit vordert eenig ver-
mogen,— en wij bezitten niets; ook is het niet zoo gemak-
kelijk een goed schilder te worden: daartoe wordt zoo veel
vereischt. Altijd knechtte blijven, dat is toch niet ver-
kieslijk." — ffik denk geen knecht te blijven" — antwoordde
ik dan , — j-ik hoop eens baas te worden , en wel een kunstenaar,
daarvan kunt gij verzekerd zijn." Mijn vader lachte dan , en—
het bleef bij het oude.
Toen de omstandigheden mijner ouders verbeterden, werd
mijne hoop om schilder te worden levendiger. Ik bleef aan-
houden, en mijn vader liet zich eindelijk bewegen. De gunstige
keer zijner zaken opende hem het vooruitzigt, mij door ver-
loop van tijd in mijn oogmerk te kunnen ondersteunen, en
derhalve gaf hij toe, omdat hij mij geen beroep wilde op-
dringen, waartoe ik geene neiging gevoelde. Ik werd dan
bij eenen schilder als leerling besteld, die aannam mij om
niet te onderwijzen, ouder die voorwaarden, dat ik hem,.