Boekgegevens
Titel: De arme Jakob: een leesboek voor de scholen.
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Noothoven van Goor, 1861
6e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 806
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200108
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm), Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De arme Jakob: een leesboek voor de scholen.
Vorige scan Volgende scanScanned page
99
der Voorzienigheid, die mij door deze middelen mijne
verhevene besiemniing, myne beslemming als mensch
naderbij bragt.
NEDERIGHEID.
Eene andere deugd ^ die mij de armoede leerde eii die
zeldzaam, bij den overvloed kan geleerd worden , vjas de
nederigheid. De mensch, die geene behoefte kent, koml zoo
ligt in gevaar om den voorspond, dien lü) geJiiet, aan zijne
eigene kunde toe te schrijven, terwijl hij zijne afhankelijti-
heid te eenenmale uit hel oog verliest, Htj beschouwt de
voorregten j die hij geniet, als een goed, waarop hij om
zijne verdiensten aanspraak heeft, en vergeel daardoor den
Gever. In den slaat, waarin ik verkeerde^ leerde ik mijne
afhankelijkheid kennen; ik leerde, hoe veel ik aan anderen,
hoe veel ik aan God verschuldigd ben. Door het verkeer mot
mij zeiven, werd ik opmerkzaam op mijne zwakheden. Ik
bespeurde hoe vete kundigheden mij nog ontbraken, en dat
de kennis, die ik reeds verworven had, vergeleken met die,
welke 7/117 nog le verwerven stond, bijna niets kon genoemd
worden. Door dit gevoel mijner onkunde, en de overtuiging
mijner z^vakheid, bleef ik voor den dwazen hoogmoed be-
vrijd, die veten zoo belagchelijk of verachtelijk maakt. Hel
gezegde van mijnen vader: niemand weet hoe veel hij niet
weet , heb ik nooit vergeten.
DANKBAARHEID.
Meermalen heh ik menschen, die in belioeflige omstandigheiien
geplaatst zijn, ondankbaar hooron noemen, en heb ookihkwijis
bespeurd, dat deze besciiuMifjing niet ten onregte geschiedt. De
genoiene weldailen le erkennen, en, waar het zyn kan, ïe
vergelilen, wordt zeker dikwijls vergelen: maar doen dil alleen
de armen ? Ik lieb menigmaal menschen , die door hun vermo-
gen in slaat waren anderen wel le doen . en die dit ook wer-
kelijk deden, zich over de ondankbaarheid hooren beklagen,
waarmede men hunne weidaden ontving en beloonde; en deze
menschen vergaten zeiven den dank, dien zij aan God voor zijne
goedheid verschuldigd waren.