Boekgegevens
Titel: De natuurverschijnselen,: een leesboek voor de jeugd.
Auteur: Anslijn, P.D.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1837
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 862
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200101
Onderwerp: Aardwetenschappen: meteorologie: algemeen
Trefwoord: Meteorologie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurverschijnselen,: een leesboek voor de jeugd.
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 73 ) '
ten. De eerste soort bestaat uit bevrorenen dauw,
en komt voor in den herfst en in de lente. Wan-
neer namelijk de dampkring in den nacht zoo
koud wordt, dat de temperatuur van denzelven
en van de- oppervlakte der ligchamen tot het
vriespunt of 32°, op de schaal van fahrenheiv,
daalt, dan bevriezen de dauwdroppels of het
waterige afzetsel uit de lucht, en zij worden
dan zoo wit als de sneeuw, tei-wijl de planten,
Loomen, daken, enz,, in plaats van met vloei-
baren dauw, met bevrorenen dauw of met rijp
bedekt zijn.
De tweede soort van rijp ontstaat in den win-,
ter, en dan niet alleen des avonds, des nachts,
en des morgens, maar op alle gedeelten van
den dag. Deze soort van rijp wordt gevormd
door de in de lucht zwevende dampen, die door
de koude bevriezen, zonder tot eigenlijke sneeuw
over te gaan, en zich, even als de eerstgenoem-
de soort van rijp, aan de iu den dampkring
zijnde ligchamen hecht. liet meest, vindt men
deze rijp aan die zijden, welke aan den wind
zijn blootgesteld.
W^anneer men bij strenge koude in de vrije
lucht gaat, ziet men spoedig aan de haren zich
kleine ijs of «neeuw kristallen hechten, welk
verschijnsel men mede rijp noemt, en tevens
gewaar wordt om den neus, den mond, en de
ooren. Deze rijp heeft zijnen oorsprong in dc
uitwasemingen van het ligchaam, die terstond
hevriezen, en wel in de eerste plaats aan de
harige ligchaamsdeelen, dewijl de haren kouder
zijn dan de huid, want op de laatste smelteii
de kristallen terstond weder. Hetzelfde verschijn-
sel, di't men bij de mensclien opmerkt, heeft
oük bij dc dieren plaals.
E ^ Het