Boekgegevens
Titel: De natuurverschijnselen,: een leesboek voor de jeugd.
Auteur: Anslijn, P.D.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1837
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 862
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200101
Onderwerp: Aardwetenschappen: meteorologie: algemeen
Trefwoord: Meteorologie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurverschijnselen,: een leesboek voor de jeugd.
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 70 ) '
warmlcstof nog behouden, dan gaat evenwel de
uitdamping voort, maar de dampen kunnen, uit^
hoofde der meerdere koude, niet zoo hoog
stijgen als gedurende den dag, maar zij verdik-
ken in de nabijheid der plaats, waar zij ontstaan
zijn, en vormen druppels, die men avonddauw
noemt. De morgendauw komt uit den damp-
kring, want de, door de morgenstralen der zon
vroeger verwarmde bovenlucht laat de in haar
zwevende dampen vallen, die in hun dalen naar
de onderste luchtlagen nog andere dampen me-
devoeren, en zoo de gedaante van nevel aanneemt
tot deze de aarde bereikt, welke zij bevochtigt.
Inzonderheid in de zomcimaanden en bij helder
en stil weder, bemerken wij dezen dauw. Bij
aanhoudende droogte, vervult de dauw het ge-
mis aan regen.
Het sterkst, valt de dauw in de keerkrings-
landen: aldaar valt dezelve des nachts zoo over-
vloedig, dat de voorwerpen zoo doortrokken
worden met vocht als of zij in eenen lijnen,
diglen regen waren.
Bij helder weder, ontdekt men somtijds, reeds
voor het ondergaan der zon, de dauw op het
gras, doch dit heeft alleen plaats in de schaduw;
eerst nadat de zon geheel beneden den horizont is
en in de schemering, begint de dauw zich als
druppels te vertoonen. Bij eenen onbewolkten
hemel, dauwt het gedurende den geheelen nacht
onophoudelijk voort, doch zoodra de lucht, na
eenen helderen avond, betrekt, vermindert de
dauw allengs, en droogt eintjelijk bijna geheel
o]). Hetzelfde heeft ook plaats bij sterken wind.
Na eene langdurige droogte, is dc dauw
jmnder overvloedig dan bij eenen vochtigen dnmp-
|i;ring. Dc lente en'herfst leveicu ook meer dauw