Boekgegevens
Titel: De natuurverschijnselen,: een leesboek voor de jeugd.
Auteur: Anslijn, P.D.
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon, 1837
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 862
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200101
Onderwerp: Aardwetenschappen: meteorologie: algemeen
Trefwoord: Meteorologie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De natuurverschijnselen,: een leesboek voor de jeugd.
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 63 ) '

Sneeuw.
D
e sneeuw beslaat uit te zamen gevrorene
dampen, die in de gedaante van vlokken neder-
vallen.
In den aanvang, bevriest slechts een dropje,
hetwelk doorgaans kristalliseert, dat is: de
vorm van een zeshoekig sterretje, uit naaldjes
bestaande, verkrijgt, cn dat, wanneer de bene-
denlucht zeer koud is, ook onveranderd ncder-
valt. Is evenwel de -benedenlucht warmer dan
de bovenlucht, dan vereenigen zich onder het
vallen eenige dezer sterretjes met elkander tot
eene vlok, die allengs in uitgebreidheid toeneemt,
Hoe grooter de sneeuwvlokken zijn, des te
weeker is de sneeuw, en des te gemakkelijker
smelt dezelve. Hoe kouder het in eene streek
is, des te meer sneeuw valt daar, en des te
langzamer smelt die ook. Hieruit volgt, dat de
hoeveelheid sneeuw toeneemt, naarmate een land
meer verwijderd is van de verzengde luchtstreek.
Hetzclide heeft ook plaats in hooggelegene lan-
dcïx, op bergen, en in groote -bosschen.
Zelfs in de verzengde luchtstrekei), heeft men.
bergen, wier toppen altijd met sneeuw bedekt
zijn. De hoogte, waar die sneeuw begint,
noemt men de sneeuwlinie. Onder den Aequator,
wordt eene hoogte van 4180 Ned. cl gevorderd
om de sneeuwlinie te bci-eiken. Aan de keerkrin-
gen, bepaalt dezelve zic'u tot eene hoogte van