Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
te van 6 tot 9 voet. Hare borstvinnen, die men wel
eens met groote vleugels vergeleken heeft, zijn steeds
uitgebreid. Door middel van eenen langen, dunnen
staart, bestuurt zij haren lóop door het water, en
vervolgt snel de visschen, waarop zij , gelijk een roof-
vogel op zijne prooi, aanvalt. In den langen, buig-
zamen staart, heeft de Vleet hare voornaamste sterk-
te. Daar deze zich in alle rigtingen laat'buigen,
beweegt 'zij dien met de grootste snelheid en kracht,
even als eene zweep. Wanneer zij op den bodem der
zee, half onder slijk verborgen, in eene hinderlaag
ligt, en eenige dieren om zich ziet, die haar tot
voedsel kunnen dienen, dan betlient zij zich van dit
weiktuig, om hare prooi eenen doodelijken slag toe
te brengen, hetwelk haar zelden mist, naardien deze
staart niet alleen door sterke spieren wordt bewogen,
maar ook aan beide zijden van eenen sterken, , reg-
ten stekel, en aan het bovenste gedeelte van eene rij
getakte stekels voorzien is.
Eene soort van Zeeduivel, bijgenaamd de Henge-
laar, heeft noch kracht, noch vaardigheid genoeg,
om zijne prooi aan te vallen , doch hij vergoedt door
list hetgene hij door stei'kte niet verkrijgen kan. Zich
in slijk gewoeld en met zeeplanten of wier bedekt
hebbende, of zich onder steenen of rotsen verborgen
houdende, laat hij zijne baai ddraden als een hengelaar
in het water spelen, en wacht met een taai geduld
den tijd af, dat eenige visch nabij genoeg komt,
om dien te vatten en met zijne scherpe tanden te
verslinden.
Bovengenoemde baarddraden zijn vijf in getal, en
komen in vorm veel overeen met de sprieten der
dagkapellen. De beide voyrste draden zijn bij eenen
volwassen' visch ten minste een voet lang. De kleur
dezer draden is bruin, doch de kwastjes zijn wit. De
om hem henen zwemmende vischjes woix^n door de