Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
zamen gerold ter neder, ligt dan het voorste gedeelte
des ligchaams overeind, en ziet dan met vurige oogen
en eenen opgesperden bek het belaagde dier onbewe-
gelijk aan, hetwelk hieidoor, door vrees bevangen, .
in plaats van te vluglen, onder een angstig geschreeuw,
aan de plaats gehecht schijnt, of den schrikbarenden
vijand al nader en nader bij komt, tot dat het ein-
delijk in zijnen muil den dood vindt. — Als men haar
vervolgt, — zegt bahtram , — wei pt zij zich • terstond
in ronde kringen. Haar staart vertoont zich dan, door
de snelle beweging, als een' damp, en geeft een snel
ratelend geluid. Haar geheele lijf zwelt van woede,
en gaat gestadig op en neder als een blaasbalg. Hare
fraaije, veelkleurige huid wordt gespikkeld en ruw door
deze uitzetting. Haar kop en hals worden plat. Hare
wangen zwellen, en hare lippen trekken op, en ver-
toonen hare doodelijke tanden. Hare oogen, zoo rood
als brandende kolen , en hare slingei ende gevorkte tong,
van de kleur der heetste vlam, dreigen gedurig dood
en vernieling: maar zij bijt nooit toe, of zij is van
haren slag zeker.
De Krokodil is een verschrikkelijk roofdier. Hij valt
woedend aan op menschen en 'dieren. Aan d^n oever
der rivieren, ligt hij, met een' opgesperden muil,
slechts 1 met een gedeelte van den kop en rug bloot,
op den loer, en wacht op het gedierte, dat aldaar
komt drinken. Kan hij dit bereiken, dan grijpt hij
het met een' wissen beet, sleept het onder water, en
verleert het aldaar.
De Poel-kikforsch, die zich zoo wel met vliegen-
de als met kruipende insekten voedt, houdt zich on-
bewegelijk stil, tot dat zijne prooi onder zijn bereik
komt, wanneer hij zijnen sprong zoo wel weet te
nemen, dat de gewensclite 'buit hem niet kan ont-
snappen. Bij dezen sprong, steekt hij de tong, die