Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
1
der zee. Zoo vindt men niet alleen in Duitschland
in bolen en in de vlakten, maar ook in het noordoos-
telijk gedeelte van Azie, beenderen van olifanten,
en dikwijls geheele of halve tanden van dit dier.
Zoo treft men "in Noord-Amerika en in Azie
beenderen aan van den zoogenoemden mammouth,
een dier, dat nergens meer gevonden wordt, en
veel grooter dan de olifant moet geweest zijn. Waar
is deze soort van dieren gebleven ? Hoe komen,
niet alleen olifanten, maar ook verscheidene plan-
ten uit zuidelijker streken versteend in de noordelij-
ke? Hoe komén zeedieren op het gebergte, en wel
in groote menigte de versteeningen van zulke, waar-
van men de oorspronkelijke niet kent? En hoe
zijn stukken van het oorspronkelijk gebergte in een
vlak land gekomen, waar men voor het overige
aeene bergen heeft, en waar men deze stukken,
b. V. groote brokken graniet, afgezonderd aantreft?
Ook is het zeer merkwaardig, dat men in het
noorden de voortbrengselen van zuidelijker stre-
ken onder de aarde vindt, maar niet die van
hel noorden in het zuiden.
Vele dezer omwentelingen in de natuur moeten
plötselijk geschied zijn, zoo als zich laat vermoeden
uit de sporen, welke ons daarvan zijn overgeble-
ven. Men heeft in noordelijke landen groote zoog-
dieren gevonden door het ijs ingesloten, waarvan
de huid, de haren en zeli[s het vleesch door dit
insluiten en door de koude bewaard gebleven zijn.
Waren zij niet op dienzell'den ougenblik, toen zij
gedood werden, bevroren, dan waren zij ras tot
bederf overgegaan.
De beide merkwaardige verschijnselen van dezen
aard, zijn de rhinoceros, welken men in het jaar
1771 aan den oever der M'^ilhui gevonden heeft, en
de olifant, door abams later aan den mond der
Lena in de IJszee ontdekt. Deze laatste had nog
zijne huid en tweederlei soort van haar, het e?ne
kort, fijn en als wol gekroesd, en het andere lang
en borstelachtig. Zijn vleesch was nog zoo wel be-
waard gebleven, dat 'de honden het konden eten.