Boekgegevens
Titel: Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Deel: 2e stukje
Auteur: Anslijn, N.
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1854
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 864
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200094
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuur- en aardrijkskundige mengelingen, ter bevordering van algemeene kundigheden: ter dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
«leiachtige haren eenen aanmerkelijken voorraad graan
naar hare holen te slepen.
De Hamsters en Lemmings maken zich, eVeu als
de konijneti, verborgene loopgraven. De eerste dragen ,
door middel van hunne wangzakken, eene menij;te le-
vensmiddelen in hunne holen. De laatste trekken,
op gezette tijden, in ontzaggelijke menigte naar andere
plaatseri, en vernielen alles, wat zij ontmoeten.
De Muskusrat, die in Noord-Amerika te huis be-
hoort, bouwt zich tegen den winter een kunstig ho!,
waaruit zij gangen graaft onder de wortels dier plan-
ten , welke haar gedurende den winter tot voedsel
moeten verstrekken.
De H^ortelmuis, in Siberie, legt gedurende den zo-
mer welvoorziene magazijnen onder den grond aan,
waaruit zij zich in den winter van het noodige voed-
sel kan voorzien.
De Dwerghaas, in Rusland, die in den zomer van
bladen en vrucliten leeft, behelpt zich in den winter
met den mest van planten - etende dieren, welken mest
hij van onder de sneeuw opgraaft.
Het Paard, de Ezel, het Hert, en andere dieren
van deze orde, zoeken in den wilden staat de weiderf
op, die hen moeten voeden. De Elanden en Ren-
'dieren krabben met hunne pooten de dikgevallen sneeuw
weg, om de planten, die hun tot voedsel moeten
dienen, te vinden; de laatste bedienen zich daartoe
vooral van het uitstekend gedeelte hunner hoornen.
De Olifant breekt met zijnen langen snuit de tee-
dere takjes van de mimosa-boomen, en steekt.die in
den mond.
Het Zwijn wroet met den snuit in den grond, om
de wortels der planten, die hem het smakelijkst zijn,
te bekomen, en weet deze door den reuk zeer wel
te onderscheiden.
Zoo loont elk dier door zijn instinkt de wijsheid
eener alverzorgende Voorzienigheid,